ademen

Een training van vijf dagen lang: samen ademen met twaalf vrouwelijke metgezellen. In de aanloop naar het gezamenlijk ademen, spreek ik met verschillende intimi over de naderende training. In die gesprekken ervaar ik een soort van voorgevoel.

In de loop van mijn leven heb ik al heel wat intensieve trainingen gevolgd. Op spiritueel vlak ben ik daardoor gegroeid, en toch heb ik altijd het gevoel niet tot mijn allerdiepste kern te komen. Heel confronterend.

Alsof ik, zonder dat ik dat nou bewust wil, altijd de kantjes eraf heb weten te lopen. Degene die het ademavontuur begeleidt, ken ik al een aantal jaren van andere ademavonturen. Ik voel me compleet veilig bij haar.

Ik word me steeds bewuster van de ongekende krachten van bewuste ademhaling. Wel is zij zo vol liefde en overgave dat het me soms benauwt. Het lijkt net alsof mijn leven niet meer mijn eigen ervaring is, maar meer die van haar dominantie.

Het feit dat ik een man ben, maakt haar intens blij. Zij spoort mij extra aan om vooral naar de vijfdaagse te komen. Dit omdat zij snakt naar een man in het gezelschap. Ik voel me vereerd.

Toch ervaar ik ook een druk van: laat het nou niet afweten, dan zijn we namelijk met alleen maar vrouwen over. Behalve dat het financieel een investering vraagt, vind ik het ook lastig mijn ego los te laten.

Ik heb me dus ook wel laten verleiden tot deze ‘kundalini-tsunami’, vijf dagen zeer bewust ademhalen. Je heelt dan anderen en jezelf. Toch moet dit avontuur plaatsvinden. Ik duik er volledig in.

Tussendoor heb ik ’s avonds even contact met mijn partner. Na het avontuur hoor ik van haar dat ik bij dag twee al zweverig en onbereikbaar begon te praten. Alsof ik vanuit een cocon sprak. Mijn ademen zuigt me naar binnen, naar de meest vreselijke plekken in mijn geest. Het lukt me niet om voor deze plekken woorden te vinden.

Na afloop van de vijfdaagse rijd ik samen met mijn maatje naar huis. Na een aantal kilometers rijden durf ik niet verder. In mijn beleving beweegt alles op de snelweg te snel. Mijn maatje neemt het liefdevol over.

Ik word angstiger naarmate ik dichter bij m’n gezin kom. De kloof tussen het ‘ademavontuur’ en terug naar het gezin komen, voelt reusachtig, als een niet te nemen obstakel.

Als ik ben aangekomen op het parkeerterrein achter ons huis, merk ik dat ik in een andere snelheid ben gaan leven. Het ‘ademavontuur’ was een grote ontdekkingsreis naar rustig aan doen. Ik luister en volg mijn ademhaling. Gereset. Maar ik kan de verbinding met de gewone dagelijkse wereld niet meer maken. Heel beangstigend. Maar ja, ik moet toch mijn huis in. Mijn gezin ‘omhelzen’.

En dan gaat alles alsof ik in een rollercoaster terecht ben gekomen. Ik vind geen aansluiting. Mijn kinderen kijken me glazig aan. Of kijk ik glazig? Ze vinden me vreemd doen en herkennen me niet meer.

Dat voelt wel enorm heftig. Wat ik nog niet doorheb, is dat ik na al dat bewuste ademen mezelf rechtstreeks een psychose in geademd heb. José en Arie, mijn beste vriend, besluiten hulp in te schakelen.

Eerst ga ik naar de huisarts, en daarna rechtstreeks naar het ziekenhuis. Gelukkig is het niet nodig om een ambulance in te schakelen. Ik laat me geheel vrijwillig naar de psychiater brengen. Die heeft nog dossiergegevens van 25 jaar eerder, ten tijde van een observatie in een kliniek in verband met een mogelijke depressie.

In die vier weken observatietijd ben ik ook daadwerkelijk gediagnostiseerd als depressief. Die informatie helpt de psychiater in het ziekenhuis met zijn beeldvorming. Hij concludeert: ‘René, je zult af en toe last hebben van je bipolaire stoornis. Maar je bent niet de stoornis.’

Gek genoeg lucht deze diagnose me op. Mijn onrustige geest heeft eindelijk een naam. Omdat ik zo manisch als een deur ben, schrijft de psychiater medicatie voor me uit. Eindelijk geef ik me over.

Ik ben ziek, en ik wil weer beter worden. Het instellen van de medicatie verloopt zeer voorspoedig, in tegenstelling tot de vier weken observatie van heel lang geleden. Ik heb wel tijd nodig om te landen.

De abnormale snelheid en hoeveelheid indrukken gaan enige tijd door. Als ik uiteindelijk weer een stuk mag fietsen, zet ik mijn fiets in de achtste versnelling. Anders ga ik er als een speer vandoor. Wandelen doe ik met mijn bergschoenen. Lekker zwaar van gewicht.

Door het ademen ben ik steeds rustiger geworden, met weinig last van prikkels. Vervolgens ben ik in een mum van tijd ‘skyhigh’ gegaan. En nu gaat het iedere week wat beter. Iedere week voel ik me ietsje rustiger.

Ik slaap vooral weer veel beter en langer. Dat doet wonderen. Een aantal vrienden komt op ziekenbezoek, en ik maar raaskallen. Eigenlijk wil ik al mijn verworven inzichten in één minuut delen.

Langzaam gaat de vaart weer uit mijn intense leven. Ik voel uiteindelijk weer grond onder mijn voeten. Ik ben zo kwetsbaar. Alsof ik transparant ben.

José maakt het boos. Vooral dat de vrouwen niet op tijd hebben geconstateerd dat ik tijdens de workshop in een psychose terecht ben gekomen. Ik ben het helemaal met haar eens.

Pas veel later durf ik toe te geven dat ik deze vrouwen ook dankbaar ben. Ik durf door mijn pantser heen te breken, en ben nu bewuster dan ooit. Mijn ademhaling is mijn innerlijke zuurstof.

Het is ook een gevaarlijk offer geweest. Maar gelukkig leef ik nog. Intenser dan ooit.

Hoezo immigratie?

Tahar is wat mij betreft de bakker van de lekkerste broodjes shoarma in de stad. Hij wil nadat ik gegeten heb even met mij praten. Of dat goed is. Eerlijk gezegd ben ik erg benieuwd waarover hij me wil spreken. Het blijkt te gaan over een andere vaste klant met de naam Maan.

Zij komt uit Hongarije en is met haar Hongaarse vriendin regelmatig te vinden in de shoarmazaak. Tahar vraagt of ik geïnteresseerd ben in een gesprek tussen Maan, hemzelf en mij. Dat klinkt wel heel mysterieus. Waar gaat dat gesprek dan over? We spreken bij hem thuis af, zodat we vrijuit met elkaar kunnen spreken. Ik ben wel in voor een avontuur en zodoende spreken we een dag en tijd af. Naarmate de datum dichterbij komt, word ik toch wat nerveus.

Waar kan dit nou over gaan? Ik heb echt geen flauw idee. Loop ik gevaar? Nee, zo voelt de situatie niet voor mij.

Eenmaal aangekomen zijn we alle drie wat onwennig, en Maan vertelt haar verhaal. Zij spreekt heel goed Nederlands en zegt dat zij voelt dat zij in Hongarije niet echt een goede toekomst zal hebben. Dat is ook de reden dat ze naar Nederland is gekomen.

Vele Hongaren zeggen dat je in Europa makkelijk een verblijfsvergunning kunt krijgen voor Nederland. Zij is er inmiddels achter gekomen dat dat nog niet zo een-twee-drie voor elkaar te krijgen is. Maan ziet er kwetsbaar uit en ze voelt oprecht. Haar vraag is of ik haar kan en wil helpen.

Uiteraard vraag ik natuurlijk eerst: waarmee dan? Als zij middels een samenlevingscontract kan laten zien dat zij uiteindelijk vijf jaar met een Nederlander heeft samengewoond, dan kan zij de Nederlandse nationaliteit krijgen. Wil ik minstens vijf jaar met haar samenwonen?

Ik voel een ware schok door me heen gaan. Wat bijzonder dat een medemens mij dit vraagt. Maar tegelijkertijd gaan er allemaal alarmbellen af. Pas op, pas op! Ik heb behoefte om een en ander eerst met wat intimi te delen en dan te bepalen wat mijn antwoord zal zijn.

Maan is een fascinerend mens om te zien. Met haar diepblauwe ogen kijkt zij me aan en ze moet glimlachen. We spreken af dat ik met een antwoord terugkom bij haar, en we wisselen ondertussen gegevens uit, zodat we elkaar makkelijk kunnen contacten. Terwijl ik weer naar huis fiets, flitsen er allerlei gedachten door me heen.

Kan ik Maan en Tahar vertrouwen? Hoe vast zit ik aan een samenlevingscontract? Wat als ik ondertussen een ander mens ontmoet waar ik helemaal smoor op word? Wat gebeurt er na die vijf jaar?

Maar het belangrijkste vind ik eigenlijk dat ik mijn vrijheid niet kwijtraak. Ik woon als vrijgezel prima en het op mezelf wonen bevalt voor nu uitstekend. Wat zou ik me op de hals halen?

Aan de andere kant kan ik wel een medemens echt helpen. Daar ben ik altijd bijzonder gevoelig voor. Tussendoor neem ik contact op met Maan, en ik vraag haar of we dan een soort latrelatie aan zouden kunnen gaan. Op die manier behoud ik in ieder geval m’n zelfstandig en vrijheid. Bovendien woont Maan op dit moment samen met een Hongaarse vriendin, en zij vindt het ook fijn om daar voorlopig mee samen te blijven wonen.

Zij moet gniffelen en zegt dat we niet per se hoeven samen te wonen. Dat is prettig om te horen. Ik vertel haar dat het een lastig besluit is, omdat deze deal niets te maken heeft met verliefd zijn op elkaar. Toch meestal het uitgangspunt om uiteindelijk een vaste relatie te beginnen en te gaan samenwonen.

Inmiddels heb ik een aantal intimi gesproken en zij zijn blij dat ik iets wil betekenen voor een medemens. Tegelijkertijd wijzen ze mij op de enorme verantwoordelijkheid die ik op me zou nemen. Alles in het kader van het welzijn van een onbekende vrouw uit Hongarije. Dit is precies waardoor ik ook twijfel. Zo’n samenlevingscontract voelt zo definitief.

Enige tijd later spreken we met z’n tweetjes af. Ik wil Maan eerst wat beter leren kennen. Zij vindt het geweldig dat ik niet direct nee zeg. We spreken hierna nog verschillende keren af. Wat een warme persoonlijkheid en ook nog een bijzonder pittige dame. Maar wat voelt dit ook raar dat Maan zo afhankelijk is van mij en mijn besluit. Dat machtsgevoel windt me gek genoeg op.

Ik deel deze gevoelens met haar en weer kijkt zij mij vol vertrouwen aan. Ze zegt dat zij zich niet afhankelijk voelt van mij. Het zou geweldig zijn als er een klik is, maar zo niet, dan gaat ze verder op zoek. Haar kracht en humor ontroeren me. Wat een moedig avontuur om vol vertrouwen naar Nederland te komen en je in ons land staande te houden.

Ik voel respect voor wat Maan onderneemt, en vooral voor de manier waarop. Niks geen machtsgevoelens meer. En doordat we gezamenlijk uitstapjes maken, ontstaat er vertrouwen. We merken bijvoorbeeld hoe belangrijk het is dat we onszelf zijn en blijven. Het mooie van alles is dat dat ook bijna vanzelf zo gaat. Er ontstaat ook meer vertrouwen naarmate we meer afspraakjes hebben. Op een geheel ongedwongen manier leren we elkaar beter kennen.

Uiteindelijk bemerk ik zelfs dat ik aan Maan gehecht begin te raken. En hoe fijn het ook is om weer een intiem maatje om me heen te hebben. Ook Maan vertelt dat zij een hechte klik ervaart. Wie had dat ooit gedacht: wij worden zowaar verliefd op elkaar.

Een nieuw avontuur vangt aan. Ik wil alleen nog niet samenwonen, al behoort dat wie weet later uiteraard wél tot de opties. Eerst gaan we met de trein op reis naar Maans geboorteplaats aan het Balatonmeer in Hongarije. Daar zal ik haar ouders voor het eerst ontmoeten. Na de reis bedenk ik me ineens dat deze reis al wel heel veel hoop geeft op een vaste relatie. Alles tussen Maan en mij voelt wel heel echt en spontaan.

Voorlopig geniet ik volop van de zich ontwikkelende vriendschap tussen Maan en mij. We zijn toch gekoppeld en ervaren nu al een klik. Vandaar deze reis in zo’n vroeg stadium en ook hier voel ik me een vreemde eend in de bijt. We komen aan in Amsterdam en stappen daar over op de internationale trein richting Boedapest.

We hebben nog wat overstaptijd over en gaan nog wat drinken in een grand café. Daar check ik mijn papieren en ontdek tot mijn grote schrik dat mijn paspoort verlopen is. Wat een drama. We hebben een geplande en dus geboekte reis, met tickets en al. Op Schiphol weet ik hoe je zo’n probleem kunt oplossen. De marechaussee kan je daar een vervangend reisdocument meegeven. Maar hier op Amsterdam Centraal?

De tijd dringt: we hebben nog ongeveer dertig minuten. Veel te kort om een vervangend reisdocument te regelen, en waar moet je naartoe? De politie? Ik voel me zo dom en reageer behoorlijk naïef. Ik stel voor om met mijn verlopen paspoort de gok te wagen. Lang leve de vrije grensovergangen.

Als ik al gecontroleerd word, zullen de ambtenaren me vast wel willen matsen. Dus net doen alsof ik van niets weet wordt een leugentje om bestwil. Althans, dat maak ik mezelf wijs. Maan voelt zich opgelaten en stelt voor om de tickets om te laten boeken en op een ander tijdstip naar Hongarije te reizen. Dit is weer zo’n situatie waarin ik eigenlijk in paniek raak, maar net doe alsof ik overzicht heb, me onbewust van mijn hoge ademhaling. Vervolgens word ik overvallen door paniekaanvallen, maar deel het gevoel daarbij niet. Uit welke ex-relatie ken ik dat nog meer?

Ik deel mijn onzekerheid niet voldoende, dus Maan heeft geen idee. Dat denk ik tenminste. Wat is nu het beste om te doen? Vasthouden aan dat wat afgesproken is lijkt mij de fijnste uitweg. Maar eigenlijk zet ik ons daarmee alleen maar klem. Natuurlijk kan er onderweg gecontroleerd worden en lopen we serieus de kans niet verder te kunnen reizen. Nog vijf minuten te gaan. Wat doen we? Uiteindelijk stappen we toch in. Ik wil de gok echt wagen. Maan gaat uiteindelijk akkoord.

Onze reis wordt vervolgd en ja hoor, op de grens met Hongarije gaat het goed mis. Er is een strenge controle waarbij iedereen wordt gecontroleerd. Uiteraard ontdekt de douanier dat mijn paspoort is verlopen. Hij laat ook duidelijk merken wie hier het gezag heeft en haalt zijn collega erbij. Er wordt besloten dat we er bij Boedapest uit moeten en dat we worden overgedragen aan de politie, die de zaak verder zal afhandelen.

Wat een ellende, ik schaam me kapot. Zeker tegenover Maan, maar ook tegenover haar ouders. Waarom heb ik ons nou toch in deze situatie gebracht? Maar de ellende gaat nog verder en dieper. Eenmaal in Boedapest word ik in een stationscel gezet, in afwachting van de volgende stap. Maan moet buiten wachten.

Een paar uur later snap ik dat het vastzitten niet alleen met het verlopen van mijn paspoort te maken heeft. De politie heeft contact gezocht met hun collega’s in Nederland. Het schijnt dat er in Nederland een bekeuring openstaat. De Hongaren en Nederlanders zijn meedogenloos. Ze willen me terugsturen naar Nederland om mijn zaken af te handelen. Daarna ben ik weer van harte welkom in Hongarije.

Terug naar huis? Maan heeft ondertussen haar netwerk ingeschakeld. De vader van een vriendin van haar werkt voor de politie in Boedapest. Hij probeert mij een kans te geven onder voorwaarden verder te reizen, maar die openstaande bekeuring is het struikelpunt. Hij krijgt het niet voor elkaar. Maan besluit verder te reizen nadat ik op de trein naar Amsterdam word gezet. Ik voel me zo boos en verdrietig tegelijk. En ik realiseer me dat ik deze situatie vooral aan mezelf te danken heb. Ik had mijn paspoort voor vertrek moeten controleren.

Wat me eigenlijk het meeste dwarszit, is hoe er nog een bekeuring open kan staan. Eenmaal terug in Nederland ga ik direct op onderzoek uit. Eerst vraag ik een nieuw paspoort aan. Ik ga telefoneren met de justitionele instanties die mij duidelijkheid kunnen verschaffen over de openstaande bekeuring. En hoe kan het nou dat ik om die reden geen vervangend reisdocument in het buitenland kan krijgen?

Tot overmaat van ramp vertelt de medewerkster me dat zij een fout hebben gemaakt. De openstaande bekeuring staat niet op mijn naam. Hoe kan het dan dat mijn naam naar boven is gekomen op het moment dat er vanuit Boedapest onderzoek gedaan werd? Ze heeft er geen antwoord op. Ik vertel haar over mijn schaamte tegenover Maan en haar ouders. Ze biedt namens de Nederlandse Justitie haar verontschuldigingen aan maar kan de situatie uiteraard niet meer terugdraaien. Naar een schadevergoeding kan ik ook fluiten. Want het feit blijft dat als ik mijn paspoort op orde had gehad, er helemaal niets aan de hand was geweest. Wat een les!

Intussen bereidt Maan zich er weer op voor om naar Nederland terug te komen. Wij besluiten een latrelatie te beginnen en een gezamenlijke reis rond de Kerst te plannen. We gaan opnieuw richting haar ouders in Hongarije. Uiteraard is nu wel alles op orde bij mij. Dat zorgt voor een voorspoedige reis.

We reizen langs het immens grote Balatonmeer. De trein volgt het spoor dat zich pal naast het meer bevindt. Bij de eerste ontmoeting met haar ouders is het alsof ik op audiëntie ga. Op onze bestemming staan ze al te wachten. Mijn eerste reactie is er een van ontroering, zo bescheiden als ze staan af te wachten wat wij gaan doen. En wat zijn ze klein. Ik word allerhartelijkst begroet en Maan vertaalt alles heel liefdevol. In hun appartement aangekomen maak ik kennis met Maans zus, en ik voel me al snel opgenomen in het gezin. Ik ben echt bekaf van het reizen en alle indrukken en ga naar de logeerkamer om te rusten. Ik val direct in slaap.

We ondernemen allerlei uitstapjes. De Hongaarse landschappen zijn adembenemend mooi. Zo met z’n tweetjes genieten we van dat wat op ons pad komt. Zeker als we de druiventuin van haar pa en ma gaan bekijken. Zoveel druiven, wat een prachtig gezicht.

Maan ziet mijn enthousiasme en nadat we enige tijd op de wijngaardtuin van haar ouders zijn geweest, nodigt ze mij uit om bij vrienden van de familie langs te gaan. Ook die hebben druiven in de tuin. Die uitnodiging sla ik natuurlijk niet af en voordat ik het weet, loop ik in de felle zon door de mooiste wijngaarden.

Ook dan weet ik nog niet dat mijn stemmingen door deze felheid beïnvloed kunnen worden. Dat komt omdat de warmte me laat zweten. Dan moet ik echt goed mijn waterinname op peil houden, en vooral ook mijn zoutgehalte. Het gaat dan niet om keukenzout, maar om natriumcarbonaat. Met een tekort aan dat speciale zout en water vergroot ik de kans dat ik ziek word en in een hypomane fase terechtkom.

Dat ik die kennis nog niet heb, levert soms gevaarlijke situaties op. Want langs de wijngaarden gaan is vooral heel leuk, maar de eigenaren willen je graag meenemen naar hun diepe kelders. Het is daar heerlijk koel en het is niet beleefd om een glas zelfgeproduceerde wijn af te slaan. Ik zal je vertellen dat dat niet bepaald een straf is, overheerlijke wijn slurpen, waarbij de druif als het ware charmant in je mond ontploft. Maar dan.

We lopen weer naar buiten, waar het zomers heet is. We bedanken voor de gastvrijheid en Maan brengt me naar de volgende wijngaard. Ook daar weer hetzelfde ritueel. De wijn smaakt daar zelfs nog lekkerder en het is fijn dat Maan alle communicatie vertaalt. Toch, als we uiteindelijk naar de vierde wijngaard onderweg zijn, voel ik me steeds lichter in m’n hoofd worden, en mijn lijf voelt loodzwaar.

Geen goede combinatie. Bovendien denk ik inmiddels dat ik een Hongaar ben en vloeiend Hongaars spreek. Ik ben echt dronken. Ik weet niet meer precies hoe we weer bij Maans ouderlijk huis aankomen, maar ze weet mij op het logeerbed te krijgen. Volgens Maan val ik Hongaars sprekend in slaap.

Ze is echt een lieverd, maar ik merk dat alle verliefdheid bij mij begint te verdampen. Ik ervaar haar nu veel meer als maatje. Ze begrijpt het gelukkig wel en toont begrip voor het feit dat ik voor iets meer afstand kies. Wel behoorlijk lastig nu we met elkaar op vakantie zijn en Maan nog wel verliefd is op mij. Toch hebben we het nog heel fijn samen.

Het lastigste vind ik zelf dat we nog genoodzaakt zijn bij elkaar in een bed te slapen. Er is gewoonweg te weinig ruimte in het appartement van haar ouders. Om voor de rest van de dagen een hotel te boeken, vind ik weer te afstandelijk. We blijven zonder enige moeite op ons eigen kantje.

Ik ben gek

Ik logeer regelmatig bij mijn broer Max. Hij woont in de studentenstad Leiden. Een enkele keer ben ik bij een door Max te volgen college.

Bij een van die colleges zegt de betreffende professor: ‘U bent van harte welkom bij dit college. Mag ik u vragen wat u studeert?’ ‘Zeker, ik studeer “autodidactisme”.’ Hilariteit alom. Ik mag blijven luisteren, en zo hebben Max en ik heel wat ontmoetingen in de universiteitsstad.

Op zeker moment krijgt hij te horen dat het oude statige pand waarin hij woont binnen een jaar gesloopt gaat worden en de bewoners andere woonruimte moeten gaan zoeken. Aangezien het nogal lastig is om geschikte andere woonruimte te vinden, stel ik voor dat hij bij mij komt wonen.

Dat betekent beduidend meer met de trein pendelen tussen Haarlem en Leiden, maar Max grijpt het aanbod met beide handen aan. Ook kat Otto gaat mee. Wat een bonte boel in huize Booms. Uiteraard zijn er zo nu en dan ook lastige situaties, maar die worden meestal ook weer uitgepraat.

Even een stukje geschiedenis

Rond mijn twintigste kom ik met een chique oudere dame in aanraking. Zij heeft net een mooi groot huis in Zandvoort gekocht. De vriendschap die tussen ons ontstaat, maakt dat ze op zeker moment vraagt of ik misschien interesse heb in het huren van het compleet verbouwde zomerhuisje.

Alles zit erin. Een kleine keuken, badkamer en een woonkamer. Voor mij helemaal perfect, dus ik verlaat het ouderlijk huis. Dit als laatste kind, want mijn zus is gaan samenwonen met haar vriend en mijn broer woont en werkt in Leiden, waar hij ook aan de universiteit studeert.

Wat een prachtig nieuw begin als twintiger. Dicht aan het strand en toch ook de grote stad binnen handbereik. Ik woon er met veel plezier, al beginnen ook hier weer de depressieve gevoelens op te spelen.

Samen met mijn huisbazin en vriendin praat ik hier wel over. Zij is een wijze dame maar kan mijn depressie natuurlijk niet wegtoveren. Het meest belangrijke stofje om weer in actie te komen, serotonine, maak ik niet voldoende aan. Ik eet wel voedingsmiddelen waar de stof in zit, maar in zijn totaliteit krijg ik te weinig binnen.

Doordat ik inmiddels wel een echte ‘overlever’ ben geworden, zet ik me zoveel mogelijk over mijn depressie heen. Ik heb al wel eerder met mijn huisarts gesproken over medicinale ondersteuning omdat ik me buitengewoon onrustig voel.  

Ook de snelheid van rondrazende gedachten in mijn hoofd zijn niet om uit te houden. Ik blijf hobbelen van het ene uiterste naar het andere, van diep somber zijn naar overactief overal overheen walsen.

Ik snap geen bal van mezelf maar overleef wel. Door regelmatig gewoon heel praktisch te blijven, weet ik de meeste stemmingsschommelingen te doorstaan. Zonder besef van hoe gevaarlijk ik aan het leven ben.

Ik vind het op zeker moment toch zonde van mijn geld om iedere maand een pittig bedrag aan huur kwijt te zijn. Dat moet anders kunnen. Ik heb inmiddels een goede baan met een contract voor onbepaalde tijd bij de KLM.

Dat zorgt ervoor dat ik op pad ga om een eigen huis te kopen. Door in een huis te investeren, bouw ik een mooi kapitaal op voor later. Ik val als een baksteen voor een huis in Haarlem uit 1939 met een voor en achterkamer, waarvan de kamers gescheiden worden door schuifdeuren met prachtig gekleurd glas in lood.

Het voelt alsof ik in de hemel ben beland. Ik doe direct een bod en voor ik het weet ben ik de trotse eigenaar van dit bijzondere stadshuis. Een vriendin die voor het eerst komt om te proeven van mijn nieuwe onderkomen vertelt me dat ze het huis naar vakantie vindt ruiken.

Wauw, een groter compliment kan ik me niet voorstellen. Wat een mooie beschrijving. Ik voel me gezegend dat ik het huis heb gekocht, al verklaren veel mensen me voor gek omdat ik zo’n grote investering in mijn eentje doe, en dat al op mijn eenentwintigste.

F*cking studiebol

Ik ben inmiddels twaalf jaar en ga naar het voortgezet onderwijs. Ik kom nog maar net uit klas zes (dat is nu groep acht) en ben als brugklasser opeens weer de jongste.

De eerste maanden voel ik me heel ongemakkelijk en onzeker. Maar ik neem een besluit: ik ga hoge cijfers halen. Dat lukt, met als gevolg dat ik ineens studiebol word genoemd. Eigenlijk vind ik dat helemaal niet erg. Het motiveert me om hoog te blijven scoren.

Helaas zijn er op school niet echt inspirerende leerkrachten. De leerkracht zit meer in mijzelf. Toch is er soms wel een klik. Vooral met mijn docent Nederlands. Hij inspireert me door zijn bevlogenheid waarmee hij spreekt over de Nederlandse taal.

Prachtige betogen kan hij voeren, en mijn medescholieren respecteren hem. Hij weet de klas te boeien. Bij mij ontstaat zo een liefde voor het Nederlands, die zich vooral uit in de vorm van woordspelletjes.

Mijn geschiedenisleraar is een waar verhalenverteller. Niks alleen maar jaartallen stampen: nee, hij leert mij de geschiedenis in een groter verband te ervaren. Hij vergelijkt geschiedenis met een hogere vorm van wiskunde.

Bijzonder aan deze docent is dat hij naast zijn werk als geschiedenisleraar ook nog een bekende kroeg heeft in het dorp waar ik geboren ben. Pikant detail is dat hij z’n tijd ver vooruit is, want hij doet aan partnerruil met onze overburen.

Voor de rest vind ik school vooral zonde van mijn tijd. Ik ervaar een groot gebrek aan enthousiasme en blije gezichten, zowel bij de docenten als de leerlingen.

Wat vind ik het toch lastig om hele dagen netjes op mijn stoel te blijven zitten, terwijl ik liever met m’n twee schoolvrienden zou afspreken om lekker rond te hangen in het bos of in de stad.

In die tijd ben ik, zoals mijn overbuurman tegen mijn moeder vertelt; een brave borst. Een pleaser, ook al besef ik dat dan nog niet. Mijzelf in overlevingsmodus zetten als studiebol en pleaser kost me zoveel energie. De modus zal me in de komende jaren nog veel meer in de weg komen te staan.

Foto Yaroslav Shuraev

Hoe echt ben ik zelf eigenlijk?

Terwijl ik ontspannen in de spiegel zijdelings naar mijn ogen kijk, peil ik de diepte van mijn ziel. ‘René, is dit niet wat zweverig?’

Eigenlijk wil ik gewoon zeggen dat ik zoveel meer ben dan alleen mijn lichamelijke verschijning. Ik accepteer mijn gebreken en het feit dat ik niet volmaakt ben. ‘Als dat maar fout gaat’ is een favoriete uitspraak van mij.

Van fouten kan ik zoveel leren. Ik stop vooral met kritiek uiten op mezelf bij elk klein detail. Het is een verspilling van tijd en energie om mezelf steeds neer te halen. Het levert alleen maar meer negativiteit op.

Door te focussen op de goede dingen in m’n leven, m’n positieve eigenschappen en de lichamelijke kenmerken waar ik wél blij mee ben, bouw ik als het ware aan een fundering van positiviteit.

Mensen om mij heen zien altijd datgene in mij wat ik in mezelf zie.

Dus focus ik op het goede en het mooie. Dat is wat ik uiteindelijk uitstraal naar de wereld. Dat is het plaatje dat anderen zien.

Ook dat ik voldoende aandacht schenk aan mijn gezin. Van mezelf houden is de basis, pas daarna kan ik aan de slag met de ontwikkeling van relaties met anderen.

Ik wil niet op zoek naar een relatie om de leegte in mijzelf op te vullen. Een ander kan tenslotte enkel aanvullen, nooit opvullen.

Het opbouwen en onderhouden van een goede relatie met mezelf is niet altijd even gemakkelijk maar voor mij wel cruciaal.

In de periodes dat ik minder zelfvertrouwen en een negatief zelfbeeld heb en weinig eigenwaarde ervaar, ontbreekt het me meestal aan voldoende ‘zelfliefde’.

Mijn geest kan zo overprikkeld en vertroebeld raken door saboterende gedachten dat houden van mezelf niet meer vanzelfsprekend voor me is.

Dat waar ik op focus groeit. Als ik niet van mezelf hou, vertel ik eigenlijk tegen het universum dat ik het niet waard ben om van te houden. Dat is wat ik uitzend.

Tijd voor handvatten die mij kunnen helpen. Ik…

  • …ga op vaste tijd naar bed, zonder stiekem weer een kwartier of halfuur later te smokkelen

  • …sta op een vast tijdstip op

  • …zorg dat ik spannende situaties vermijd

  • …neem rust en zeg desnoods afspraken af

  • …geef niet in één keer te veel geld uit

  • …elimineer zelfkritiek

  • …ben vriendelijk en positief

  • …laat mijn zorgen los

  • …vertrouw op mezelf

  • …vergeef mezelf

  • …ben eerlijk naar mezelf

  • …ben dankbaar

  • …ontspan

  • …heb plezier en mag glimlachen

  • …zorg voor mijn lichaam

  • …leer om schoonheid te zien

Foto Ryan Arya

Mijn eerste liefde

Na heerlijk te hebben getennist, zie ik in mijn ooghoek een prachtig meisje. Vooral haar bijna sprookjesachtig witte haren vallen mij direct op. Zij is een vriendin van een van mijn tennismaatjes. In de loop van de tijd kom ik erachter dat zij al een vriendje heeft. Balen.

Maar als bij toverslag gaat deze verkering uit. Lente is zo mooi en dat maakt mij behoorlijk verlegen. Kan zo’n mooi meisje ook verliefd worden op een puberjongen zoals ik?

En ja hoor, uiteindelijk worden we smoorverliefd op elkaar. Mijn eerste echte vriendinnetje. Wat een rijkdom. Ze is zo’n onwijze lieverd. Bijna te lief. Voor mij breekt een heuse leerschool aan. Haar liefde is zo puur. Ik ben zestien jaar, en Lente is twee jaar jonger. Door me kwetsbaarder op te stellen, word ik stukje bij beetje minder onzeker. Als puber jagen de zenuwen door mijn lijf.

Ik werk op zaterdagen in een supermarkt en Lente komt me na m’n werkdag trouw ophalen. Terugfietsend kletsen we lekker bij en ik ga dan altijd brood eten bij haar ouders en lieve zus. Aan een rijkelijk gevulde tafel gaan de verhalen heen en weer.

Haar vader is behoorlijk streng. Zodoende krijg ik regelmatig vragen over hoe het met mijn studie gaat. Lastig te beantwoorden, omdat er zo’n druk komt te liggen op presteren. In de kern zie ik gelukkig wel dat Lentes vader een warm hart heeft.

Moeder houdt alles in het liefdevol gareel. Dat maakt dat ik me ook kwetsbaar durf op te stellen. Ik vertel haar vader dat ik niet graag naar school ga. Ik ben wel nieuwsgierig, en excentrieke mensen boeien me mateloos, maar die vind ik niet op school.

Haar vader vertrouwt me wel en dat vind ik het belangrijkste. Twee jaar verder heb ik net m’n rijbewijs gehaald, en dan mag ik bijvoorbeeld gewoon in zijn auto rijden. En als de familie met hun motorjacht naar Parijs gaat, wordt me gevraagd of ik het leuk vind om mee te gaan. Nou echt wel.

Achteraf bezien heb ik deze aangeboden zomerreis danig onderschat. De vierkante meters zijn beperkt, en als je een behoorlijk strak vaarschema hanteert, dan kun je niet zomaar even afmeren voor een paar uur vasteland onder je voeten.

Maar veel heftiger is het feit dat er echt hete dagen zullen zijn, terwijl ik me nog niet van mijn bipolaire stoornis bewust ben. Zweten dus en een zout tekort. Maar Lente is zo’n schatje en wat is ze mooi, zeker als ze zo bruin kleurt van de zon. En dan haar hoogblonde haren. Door haar zijn alle perikelen hanteerbaar.

Totdat we op zeker moment de diepste sluis van Nederland naderen en het jacht de sluis van Maasbracht in vaart. De touwen worden om de bolder geslingerd. Tegenwoordig zijn er drijfsystemen voor. De bolder gaat op en neer mee met de verandering van het waterpeil. Maar die waren er toen niet. We wachten tot het water bijna twaalf meter gezakt is.

De eerste meters gaan prima, totdat we erachter komen dat de lijnen te kort zijn. Totale paniek, want op deze manier zal het schip aan de lijnen blijven hangen, met alle gevolgen van dien. Pa begint te vloeken, maar heeft een geweldige tegenwoordigheid van geest. Hij sprint naar binnen, haalt een groot mes uit het keukentje en snijdt de touwen door.

Touwen die op spanning staan doorsnijden is levensgevaarlijk: de touwen worden ongeleide projectielen. Daardoor kunnen er ernstige ongelukken gebeuren, waarbij van alles doorklieft wordt. We rennen allemaal in een fractie van een seconde weg van de touwen. Het schip hangt zo’n anderhalve meter boven het sluiswater en knalt met een klap naar beneden.

Niemand raakt gewond en het schip is niet beschadigd. Onze tocht wordt vervolgd. Wat zijn we opgelucht dat dit ‘hangavontuur’ goed is afgelopen. Na het hele gebeuren zit iedereen wat bedrukt te staren terwijl we alweer naar de volgende sluis aan het varen zijn. Ik heb dat echt totaal onderschat.

Zoveel sluizen en zoveel saaie lange rechte stukken door kanalen. Ik overweeg onderweg nog wel om aan land te gaan en terug naar huis te reizen. Maar Lente dan, die wil ik niet missen.

Uiteindelijk is het een pracht van een levenservaring. Lente is liefdevol en geduldig. Samen hebben we het heerlijk. De zomervakantie is alweer zo goed als voorbij en het echte leven begint weer. Het lastige is dat Lente en ik twee jaar in leeftijd verschillen. Inmiddels ben ik achttien en Lente zestien. Ik mag dus niet met haar vrijen.

Technisch gezien zou ik dan met een minderjarige vrijen en dus strafbaar zijn voor de wet. Ik krijg die beperkende gedachte maar niet uit mijn hoofd. Nou kun je natuurlijk op vele manieren ook fysiek van elkaar genieten, maar voor mij is het niet genoeg. Wat voel ik me een egoïst. Lente wordt er heel onzeker van. Dat vind ik nog het ergste, haar pijn te doen met mijn drang. Toch overheersen mijn gevoelens en willen ze gehoord worden. En natuurlijk heeft dat niets te maken met vrijen of niet. Maar dat begrijp ik dan nog niet!

Ik neem het vreselijke besluit het uit te maken. Nu ik deze zinnen aan dit boek toevertrouw, voel ik weer knellende draaiingen in mijn buik. Er is zoveel onmacht bij Lente, maar ook bij mijzelf. Ze is er helemaal stuk van. Ze raakt totaal in paniek. Ik voel me een monster. Na nog wat dappere pogingen van Lente om mij te laten inzien dat ik een verkeerde beslissing heb genomen, blijf ik bij mijn besluit.

Uiteindelijk is het mooie van het verhaal dat Lente al vanaf de eerste dag een warme band krijgt met mijn ouders. Tot op de dag van vandaag komen ze elkaar zo heel af en toe tegen bij de coffeeshop van de banketbakkerswinkel en ze is dan nog net zo blij om mijn ouders te zien als die eerste keer. En ja, zij is gelukkig, heeft kinderen en is nog steeds een mooie vrouw om te zien.

Foto Jasmine Carter

Leven met een diagnose

In de zomer van 2007 krijg ik een pracht van een baan bij een nieuwe werkgever in de sociale sector. Het zal mijn laatste worden. Ik ga voor een visie-gestuurde organisatie werken. Alle mensen zijn gelijkwaardig en elk mens is uniek.

Wat een mooie opmaat naar tien intensieve werk- en privéjaren. Het zal nog vier jaar duren voordat er bij mij uiteindelijk de diagnose bipolair kan worden vastgesteld. In die tien jaar tijd werk ik als individueel begeleider en cliëntbegeleider.

Voor mijn collega’s is mijn stoornis vaak een last. Veel collega’s begrijpen mij niet. Ze vinden me geen doorzetter. Mijn schaamte voor het feit dat ik mensen blijkbaar zo tot last kan zijn, is eigenlijk niet op zijn plaats. Mijn stoornis is geen mentale kwestie, maar een biologische. Ik maak zelf geen lithium (zoutelement) aan.

Dit verhaal over mijn ervaringen op de werkvloer is belangrijk voor mij. Vooral wil ik er aandacht en begrip mee vragen van mijn oude werkgevers voor medewerkers met een psychisch ziektebeeld.

Stigmatisering op de werkvloer is een meer besproken thema geworden de afgelopen tien jaar. Mijn onwetendheid en die van vele ex-collega’s, en het daarmee gepaard gaande gevoel van onmacht, heeft diepe indruk op me gemaakt.

Ik heb me vaak onzeker en kwetsbaar gevoeld. Mijn oude werkgevers hebben mij ook de kans gegeven zelf met creatieve oplossingen te komen.

Bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar een onafhankelijk personal coach. Na lang zoeken heb ik haar gevonden. Het mooie van deze jarenlange coaching is dat er inmiddels een vriendschap aan het ontstaan is.

Ik voel dat ik eindelijke afscheid van het pedagogisch werk bij mijn werkgever kan nemen. Door mijn nieuwe schrijverswerk komt ook mijn privéleven weer in balans.

Begrip vormt het centrale thema bij het afscheid. Als er geen wederzijds begrip is, dan is er ook geen respect voor elkaars situatie. Voor begrip heb ik hard moeten knokken.

Anno 2018

En wat een turbulent anderhalf jaar, zo samen met gezin, vrienden en familie. Vanaf juni 2017 ben ik gestopt met het werken voor een werkgever. Wat een vrijheid.

Als eigen baas kan ik makkelijker mijn levens- en werkritme vinden. Ik besluit over mijn bipolair leven te schrijven. Via mijn blogsite, LinkedIn en Google publiceer ik artikelen. Met de artikelen en de reacties daarop begint mijn bipolaire leven ook een digitale plek te krijgen.

Een autobiografie ligt in het verschiet. Veel mensen zullen zich in de verhalen gaan herkennen en tevens kan mijn boek dienen als handleiding voor behandelaren, therapeuten en psychiaters. Het boek word geschreven door een ervaringsdeskundige en levert dus direct informatie op uit de levende praktijk van alle dag.

Elektrotherapie

Een laatste gebeurtenis op de lagere school die op mijn netvlies gebrand staat, vindt plaats als we net voor de zomervakantie buiten ‘sliertentik’ spelen. Iemand begint door een ander te tikken. Dan moeten ze met z’n tweeën elkaars hand vasthouden, zodat de derde getikt kan worden. En zo gaat het verder.

Ik schat dat er een sliert van zes of zeven kinderen getikt is als ik als laatste nog afgetikt moet worden. Veel klaslokaalramen staan naar buiten toe open vanwege het warme weer.

Ik besluit mijn schoenklompen uit te doen zodat ik harder kan rennen. Door de hoge snelheid vlieg ik uit de bocht. Met mijn rechterhand probeer ik mezelf via het raamkozijn af te weren. In plaats daarvan schiet ik met mijn linker arm door het glas. Ik voel het glas door mijn arm heen snijden.

Het gevolg is dat m’n arm openligt en ik hevig bloedend begin te schreeuwen. Ik ren naar binnen, waar mijn leraar zo snel als hij kan een theedoek om mijn bovenarm draait. Zo kan hij de ergste bloeding stelpen.

Onze directeur besluit dat het te lang duurt om een ambulance te laten komen. Ik word in de auto van een van de leraren gezet en met spoed naar het ziekenhuis zo’n vier kilometer verderop gebracht.

Mijn ouders worden op de hoogte gebracht en komen direct naar het ziekenhuis. Inmiddels ben ik al een aantal liter bloed verloren en de neuroloog vertelt mijn ouders dat hij bang is dat hij mijn arm niet kan behouden en tot amputatie over zal moeten gaan. Hij wil nog een poging wagen en wat een geluk: na vijf uur hebben ze alles kunnen hechten en me weer van voldoende bloed kunnen voorzien.

Na een jaar elektrotherapie, begeleid door een liefdevolle therapeut en met fantastische begeleiding van mijn moeder, begin ik zelfs weer gevoel te krijgen in mijn vingers. Het gevoel is er grotendeels uit omdat mijn zenuwen afgesneden zijn.

De specialist vindt het te riskant om een lange operatie van zo’n acht uur uit te voeren om mijn zenuwen weer te verbinden. Uiteindelijk groeien zenuwen vanzelf weer aan. Super langzaam, nog geen millimeter per jaar, maar zo kunnen we een operatie vermijden.

En uiteindelijk, jaren verder, is het gevoel inderdaad zo goed als hersteld. Als ik nu in een vinger van mijn linkerhand knijp, lijkt het net of ik in een soort olifantshuid knijp. De hele gebeurtenis laat een diepe indruk bij me achter.

Het leuke is dat ik al heel wat jaren verzot ben op lego. Het spelen met legoblokken helpt mij bij mijn revalidatieproces. Ik moet weer helemaal opnieuw mijn vingerspieren leren gebruiken.

Inmiddels heb ik de leeftijd dat ik me helemaal stort op technisch bouwen, bijvoorbeeld een vuurtoren met een draaiende kop die lichtbalken ver laat schijnen. Op zeker moment doe ik met mijn vuurtoren mee aan een grote legowedstrijd. Met mijn derde plaats ben ik zo waanzinnig blij.

Ik mag op het grote podium voor in een stadsbioscoop komen staan. Een applaus in ontvangst nemen voelt raar. Normaliter ben ik als legobouwer in mijn eentje aan het bouwen, en nu sta ik in een volle bioscoop. Wat een gaaf moment.

Foto Kindel Media

Straatvrees

Ik ben achttien jaar en ga met een aantal vrienden op stap in de stad. We zijn op weg naar ons favoriete grand café. Op vijf minuten afstand van het café wordt er vanaf de overkant van de straat naar ons geroepen. Niemand van ons groepje reageert. Omdat we niet reageren, roepen ze opnieuw. Dit keer is de toon agressief. Ik reageer met de vraag wat er nou eigenlijk is. Dat had ik beter niet kunnen doen.

Het gaat ineens allemaal heel snel. Ik ren aan de overkant van de straat voor mijn leven. Mijn vier vrienden zijn hem gesmeerd. In de spiegeling van de winkelruit zie ik dat er twee skinheads achter mij aan komen. Als we op volle snelheid rennen, neem ik een besluit. In een fractie van een seconde stop ik heel plotseling en draai me razendsnel om. Ik stomp een van die gasten in z’n gezicht, duw hem op de grond en ren daarna weer zo hard ik kan weg.

Ik raak in lichte paniek als ik constateer dat ik te maken heb met pezige mannen die gewatteerde bomberjacks dragen en kaalgeschoren schedels hebben. Degene die ik tegen de grond gewerkt heb laat zijn maat achter mij aan rennen. Als ik eenmaal de hoek om kan, staan daar ineens meerdere skinheads mij op te wachten.

Het blijft lastig en emotioneel om het vervolg te vertellen, maar het delen helpt mij ook weer bij het verder verwerken van mijn opgedane angsten. Ik word bij mijn haren gepakt en vervolgens slaan ze mijn voorhoofd keer op keer op de motorkap van een auto. Gelukkig lukt het me om mijn rechterarm onder mijn voorhoofd te leggen, waardoor de klappen niet zo hard aankomen.

Dan blijkt een van die gasten een steen in z’n hand te hebben. Hij beukt daarmee op mijn voorhoofd. Ik voel het bloed over mijn hoofd stromen. Ineens hoor ik hondengeblaf en ik schrik me wezenloos: shit, ze gaan die toch niet op mij afsturen? Het blijken politiehonden te zijn. De politiemannen ontzetten mij, en de skinheads slaan op de vlucht. Uit de kerk aan de overkant van de straat komt een priester om mij op te vangen. De ambulance is onderweg.

Eenmaal in de ambulance kom ik wat tot rust en begin te huilen. In het ziekenhuis hechten ze mijn hoofdwond, en als dat klaar is – inmiddels is het drie uur in de ochtend – mag ik naar huis bellen. Mijn lieve vader komt me halen, en als we in de auto zitten, blijven we stil. Het is een wonderbaarlijk ontspannende stilte. Ik hoef me niet te verantwoorden, mijn vader luistert als ik wat vertel. Mijn ouders zijn vooral geschrokken en blij dat ik weer thuis ben gekomen.

Mijn herstel gaat bedroevend traag. Ik genees fysiek heel rap, maar mentaal voel ik me een wrak. Mijn zelfvertrouwen heeft een enorme deuk opgelopen. Mijn moeder helpt mij weer naar buiten te gaan. Kleine stukken wandelen en de volgende dag weer iets verder proberen.

Na verloop van tijd wil de stadsrecherche dat ik aangifte van mishandeling doe en een fotoconfrontatie onderga. Samen met mijn vader meld ik me bij de receptie van het politiehoofdkantoor in de stad. Ik ben nog steeds bont en blauw en loop met een mank been. De receptiemedewerkster vraagt ongeïnteresseerd of de verwondingen zichtbaar zijn. Maar echt op een toon van: daar hebben we weer zo’n zogenaamd slachtoffer. Terwijl we naar de ruimte lopen waar de foto’s worden ingezien, komt er een rechercheur aanlopen die zegt: ‘Ja, die vechtpartijen in de stad. Het worden er steeds meer. Waarom moeten jullie toch altijd vechten?’

Ik kijk mijn vader aan. Na wat foto’s te hebben bekeken en niks gevonden te hebben, besluiten we zo snel mogelijk uit die beklemmende sfeer te komen en niet verder te gaan met die foto’s. Ook in het doen van aangifte heb ik geen vertrouwen meer. De politie doet nog een poging om ons terug te roepen, maar daar trappen mijn vader en ik niet in. Wat een stel zielige, respectloze en vooral vermoeide onwetende mensen. Is dat de normale gang van zaken? Ik voel me intens verdrietig en machteloos.

Een jaar na de gebeurtenis ben ik zover om met mijn moeder helemaal naar de stad te gaan. Wat een hel, maar ik wil echt doorzetten.

De maanden daarna blijven we dat doen, en op zeker moment schrik ik me wezenloos: ik zie een van de skinheads. Ik deel dat met mijn moeder, en we besluiten niets met de situatie te doen. Mijn schrik is snel verdwenen, en we gaan niet naar huis maar blijven in de stad. Wat een overwinning!

Foto Victor Freitas

Vermoeidheid

Mijn hele ziel en zaligheid gaat in het schrijven van een blogartikel, met minder neem ik geen genoegen. Maar daar heb ik wel energie voor nodig. Een niet aflatende zin in van alles. Maar dat is ver te zoeken. Ik ervaar geen energie en heb geen fut om te draaien op alleen maar wilskracht. Helaas, geen artikel voor deze maand. Ik laat het los.

En dan ineens, vanuit een schijnbaar niets, komt het toch tot een schrijven.

Een voor mij zeer beladen onderwerp;

Vermoeidheid, wat een kwelling.

Niets aan de hand

zou je denken, een kwestie van gewoon beginnen dus

Maar daar laat zich een venijnigheid zien.

Hoe begin ik dan, wat zijn de eerste woorden?

Dat is voor mij dus wel degelijk een kwestie van beginnen met een eerste woord.

De diagnose bipolaire stoornis werd gesteld in oktober 2011.

Vanaf november 2011 heb ik dagboekfragmenten bijgehouden.

Ik neem je mee in mijn wereld van grote sprongen sky high, tot vallen hell deep en het vinden van een levens balans daar tussenin.

Als ik mijn verhaal zo teruglees krijg ik kippenvel en voel ontroering rondom mijn gevecht rechtop te blijven staan.

Een innerlijke noodzaak ervaren van sky high en hell deep, maar dan wel in balans.

Zoveel als mogelijk in ieder geval.

Het is dinsdag 29 november 2011

na het drinken van een kopje espresso, zit ik na in de voortuin.

Ondertussen knabbel ik aan heerlijke pepernoten, en drink ik tussendoor af en toe een slokje bronwater, als een heus ritueel.

Ik ervaar een intense moeheid, doordat er nu pas wat ruimte en rust in mijn lichaam en geest ontstaat.

Een ruimte waarbinnen alles wat is mag zijn.

Van overleven naar leven. Van wilskracht naar zielskracht, van willenkracht naar zielenkracht.

Momenteel is er dus

minuscule ruimte om te laten zijn wat is, incluis mijn vermoeidheid, een loom-sloom-droomgevoel, met een soort van zwaar smoel.

Oogleden die willen sluiten, al mijn wilskracht met lawaai willen muiten.

Een onlosmakelijke verbondenheid met alles en iedereen ervaren, en zowaar eindelijk na bijna vijftig jaar mag ik van mijzelf legaal staren.

Eindeloos, moeiteloos vertrouwen en in liefde loslaten, rust.

Een zwaarte van mijn oogleden, moegestreden.

Zodra ik dit schrijf verdwijnt mijn zwaarte.

Een zwaarte van lijf, een ruimte in geest.

Voor even sluit ik mijn ogen.

om mezelf te beloven alle powernaps op een dag, voelbaar toe te laten.

En te vertrouwen in dankbaarheid op mijn zielskracht.

Maar ja, een activiteit als opstaan is zo confronterend.

Oogleden die willen sluiten

dus dan maar gaan schrijven, zo kan ik bij mijn gevoel blijven.

En daar is die klote vermoeidheid, die allesoverheersende moker en besluit ik alles dat er nu is te laten gebeuren.

Overgave in plaats van nog zoveel willen, hap ik zomaar zittend op mijn fiets, nog even wat frisse lucht. Zonder verder na te denken blijk ik in actie!

Wil en ziel werken weer samen.

Maar dan wel in de 8e en zwaarste versnelling

zo kan ik alleen maar heel langzaam fietsen, het liefst tegen de wind in.

Zo vliegt de wereld door mijn slomige vermoeidheid, tenminste niet alsnog aan mij voorbij.

Ik voel mijn wereld als in slow-motion. Dat gevoel mag er wezen en laat me veel bewuster leven.

Doe mij maar een portie langzaam, langzamer, langzaamst.

Zo helend!

Wil je op de hoogte blijven?