Uit de kast

Inmiddels ben ik eind twintig en is Saar van een schrijfmaatje mijn vriendin geworden. Zij heeft bovendien haar baan als klinisch psycholoog opgezegd om met mij te kunnen samenwonen in Haarlem. Saar en ik gaan met onze lelijke eend naar de Schotse Hooglanden.

Foto Haadi Souaid

Dit  ‘uitdekast’ avontuur begint met een wonderlijke nieuwe ontmoeting. Na een tip van een vriend van mijn broer bel ik voor het eerst met Sander om een onderhoudsafspraak voor de auto te maken. De telefoon gaat over.

Hij neemt op en begint te praten. Dat is vreemd: ik hoor de klank van mijn eigen stemgeluid. Alsof ik aan de andere kant van de lijn mezelf hoor. Zo bizar en vertrouwd tegelijkertijd. Via die vriend van mijn broer horen wij dat Sander de lelijke-eend expert van Noord-Holland is. Ik ben zo benieuwd naar dit mens.

Voor het gemak hebben we op een centrale plek in een dorp afgesproken. Achteraf blijkt dat hij eerst even wil checken of de klant wel naar zijn zin is voordat hij die meeneemt naar zijn wat later blijkt bijzondere garage.

Zo zeg, denk ik, dat is een mooie man en lekker excentriek. Het klikt direct tussen ons. Saar is terughoudender. Achteraf gezien heeft ze direct door dat Sander als een baksteen voor mij valt. Hij besluit om onze auto in onderhoud te nemen en we spreken een datum af voor een grote vakantiebeurt.

Op de bewuste dag rijd ik naar de garage en raak diep ontroerd. Sander, onze nieuwe monteur, staat te werken aan een auto en heeft overal smeer. Er schalt prachtige klassieke muziek door de garage. Het voelt alsof ik het podium van een theater ben opgereden.

We zijn heerlijk heen en weer aan het ouwehoeren en hebben eenzelfde soort plagende humor. Hij gaat aan de slag met onze auto en uiteindelijk ben ik weer onderweg naar huis met een goedgekeurde ‘vakantieauto’.

De hele vakantie ervaren we geen enkel mankement aan de auto, behalve een klapband omdat ik langs de Schotse kronkelweggetjes over een kei heen rijd. Maar die band is zo verwisseld.

Bij thuiskomst in Nederland volgt er weer een afspraak omdat de accu terugloopt in kracht. Ditmaal is Sander aan het ‘eendenwerk’ in de tuin van zijn ouders. Hij is wat nerveus heen en weer aan het lopen en komt uiteindelijk met een nieuwe accu aanzetten. Terwijl hij deze accu erin zet, vraag ik hem wat hij van mij krijgt. Hij kijkt mij heel ondeugend en verleidelijk aan en zegt: ‘Nou, veertig gulden is oké, hoor.’

Dus ik zeg tegen hem: ‘Ja, maar dat is toch veel te goedkoop?’ ‘Ja,’ zegt hij, ‘inderdaad. Waarom denk je dat je steeds maar zo weinig hoeft te betalen?’ ‘Uh, nou ik zou het eigenlijk niet weten… Je vindt me vast aardig.’ Hij begint hard te lachen en zegt: ‘Ach, wat kan het me ook schelen, ik ben stapelverliefd op jou! Dat wil ik al zolang tegen je zeggen, en nu durf ik het.’ ‘Sjezus, wat zeg je?’

Foto Mental Health America (MHA)

Wauw, wat gebeurt hier? Alles draait bij mij. Het voelt zeker niet onprettig. Eerder onwennig, want dit heeft een man nog nooit tegen mij gezegd. En shit, ik woon samen met een mooie vrouw. Ik voel me op dit moment zo intens gelukkig. Een energie die ik niet kan beschrijven.

Broederliefde

Mijn broer komt voor een jaartje bij mij wonen. Even bijtanken en z’n balans hervinden. Een turbulente tijd. Hij is een ware levensgenieter maar kan zich ook tijden behoorlijk eenzaam voelen.

Maar goed, het gezamenlijk huishouden draait prima, met dank aan een gezamenlijk rooster. We koken ook voor elkaar. Mijn broer heeft nogal roerige jaren op en om de universiteit achter de rug. Ook vrienden en vriendinnen komen regelmatig over de vloer, wat een heerlijke intensiteit van leven met zich meebrengt.

Mijn leven ervaar ik als rijden in een locomotief. Het kost nogal wat energie om het voertuig op gang te krijgen, maar als hij eenmaal rijdt, dan dendert hij onverminderd voort. Als ik ‘op stoom ben’, dan ben ik niet meer te houden.

Ik ga helemaal op in bijvoorbeeld een plan van mijn broer om voor een periode in Zimbabwe te gaan wonen en werken. Overigens liggen er ook bij mijn broer depressies en stemmingswisselingen op de loer. Helaas kunnen we elkaar niet echt helpen. We weten simpelweg nog te weinig over het fenomeen depressie.

Ik voel me intens dankbaar voor het gezelschap van mijn broer en besluit hem verderop in het jaar op te gaan opzoeken in Afrika, waar hij dan voor een jaar naartoe verhuisd is.

Zoals je inmiddels weet, zit ik qua vliegtickets gebakken. Ik koop verschillende tickets om naar Lilongwe te vliegen. De sport is om zo te reizen dat ik wel weer op tijd terug ben voor mijn eerste werkdag. De tickets kan ik alleen gebruiken als er een plaats in het betreffende vliegtuig beschikbaar is. Logisch: eerst klanten, dan medewerkers. Dus koop ik tickets voor verschillende tussenstops. Zo vergroot ik mijn kans om mee te kunnen vliegen. Is het niet op de ene luchthaven, dan lukt het wel via een andere.

Slapen kan ik lokaal in het dorp waar mijn broer woont. Wat een indrukwekkende aankomst op Lilongwe Airport. Ik zie mijn broer en voel diepe ontroering. We reizen naar het dorp waar hij woont, en mijn broer zit vol verhalen. Heerlijk om naar te luisteren. Van zijn introverte karakter merk ik even helemaal niets.

Bij aankomst worden we verwelkomd door het gezin dat bij Max inwoont en zorgt voor het huishouden en de tuin. Ik vertel aan Max dat ik best wel een ‘slavengevoel’ bij zo’n jong gekleurd gezin krijg. Max legt uit dat als hij ze niet had aangenomen, dit gezin dan niet in zijn levensonderhoud zou kunnen voorzien.

Qua buitenshuis eten is het oppassen geblazen. De Zimbabwanen frituren heel veel, waaronder vlees. Het frituurvet wordt te lang gebruikt en krijgt een ietwat ranzige bitter-zure smaak. Als het gebakken is, wordt het vlees op de balie van een standje neergelegd. Het ruikt heerlijk en ik geniet van de lekkere geur. De ietwat ranzige smaak neem ik dan maar voor lief. De trek wint het van mijn gezond verstand.

Toch zou ik beter moeten weten. Je weet namelijk niet hoelang dat vlees in de warme buitenlucht heeft gelegen. De lokale bevolking is deze manier van eten gewend. Ik dus duidelijk niet en ik ben weken aan de diarree. Het gevaar van uitdroging ligt op de loer. Bizar om achteraf te horen dat de aarde van Zuid-Afrika vol schijnt te zitten met lithium.

Onze eerste trip brengt ons bij de meest indrukwekkende watervallen die ik ooit gezien heb. De Victoriawatervallen zijn adembenemend mooi. We zijn er met een stoomtrein naartoe gereden, een ervaring op zich. Als we vlak in de buurt van die vallende watermassa staan, worden we nat van de nevel die vrijkomt door het watergedonder. Wat is dit genieten geblazen.

Foto Muhammed Ballan

Daarentegen zijn er ook de mensonterende toestanden in Mozambique. We bevinden ons op de grens van Mozambique en Zimbabwe. De regeringsauto’s rijden daar levensgevaarlijk hard over de stoffige wegen, en ze remmen niet af. Er verongelukken voetgangers. Deze ervaringen snijden diep in mijn ziel.

De respectloosheid van de politiek naar de lokale bevolking is zo intens. Ik begrijp nu ook beter hoe corruptie zo in de hand gewerkt wordt. Mijn broer en ik zijn juist begaan met de lokale bevolking. Er is zoveel wijsheid. Toch overheerst ook hier de enorme armoede.

De jonge mensen willen allemaal vrienden met je worden. Zij horen verhalen over rijkdom in Europa en willen ook een kans. Max en ik besluiten een bijdrage te leveren aan de lokale welvaart door een berg te beklimmen en daarvoor dragers in te huren.

En zoals gezegd huurt Max een kok en schoonmaakster in. Zij mogen gratis inwonen en verdienen wat geld om te kunnen sparen. Er wordt zelfs een baby geboren. In een aangrenzend pand is er genoeg ruimte voor het hele jonge gezin.

Als mijn broer niet hoeft te werken of studeren, reizen we ook naar Zambia. We raken met lokale mensen in gesprek en horen verhalen over hoe buitenlandse boeren van hun erf worden verjaagd, waarna dat wordt ingenomen door de locals.

Volgens de bevolking hebben de buitenlandse boeren deze grond oorspronkelijk ingepikt en is nu de tijd aangebroken om die terug te vorderen. De spanningen hangen in de lucht. Tijdens het reizen mogen we meerijden met een van de buitenlandse boerinnen.

De buitenlandse boeren hebben hun eigendommen nog wel maar zijn zich terdege van het feit bewust dat hun land ook teruggevorderd kan worden door de locals. Bij hun woonhuis hebben zij een zwembad zonder zwemwater. Zij hebben het zwembad gevuld met drinkwater omdat ze bang zijn dat de locals ook de drinkwatervoorziening gaan opeisen. Zo verontrustend en ook onze boerin gedraagt zich paranoïde.

Max en ik zijn ook regelmatig in gesprek over onze persoonlijke situatie. ‘Ben je gelukkig?’ ‘Kun je doen wat je belangrijk vindt?’ ‘Hoe bevalt je werk?’ We drinken lekker sterke thee en komen uit op mijn werk voor de KLM en hoe ik het werken daar ervaar.

Vooral de vier mooie reizen naar mijn familie in Albuquerque herinner ik me goed. Vol van de Afrikaanse indrukken keer ik terug naar Nederland, alwaar spannende tijden aanbreken. Ik solliciteer voor een baan in de gezondheidszorg. Ik word dan groepsbegeleider voor oudere mensen met een verstandelijke beperking.

Foto Kerry Carron

Ik kan me nog als de dag van gisteren herinneren dat de sollicitatiecommissie mij de vraag stelde: ‘Waarom wil je stoppen met zo’n goedbetaalde baan en bij ons komen, waar je ongeveer de helft minder verdient?’

Voor mij is het antwoord niet lastig: ‘Ik heb zoveel diepgang ervaren in mijn vrijwilligerswerk. Bij de verschillende sociale organisaties waar ik dat vrijwilligerswerk doe, is er zoveel ruimte voor inhoud en persoonlijke ontwikkeling. Dat is bij de KLM absoluut niet het geval. Alles draait om de winst. Ook prima, maar voor mij is dat zeker niet het enige wat belangrijk is.’

Ademen

Een training van vijf dagen lang: samen ademen met twaalf vrouwelijke metgezellen. In de aanloop naar het gezamenlijk ademen, spreek ik met verschillende intimi over de naderende training. In die gesprekken ervaar ik een soort van voorgevoel.

In de loop van mijn leven heb ik al heel wat intensieve trainingen gevolgd. Op spiritueel vlak ben ik daardoor gegroeid, en toch heb ik altijd het gevoel niet tot mijn allerdiepste kern te komen. Heel confronterend.

Alsof ik, zonder dat ik dat nou bewust wil, altijd de kantjes eraf heb weten te lopen. Degene die het ademavontuur begeleidt, ken ik al een aantal jaren van andere ademavonturen. Ik voel me compleet veilig bij haar.

Ik word me steeds bewuster van de ongekende krachten van bewuste ademhaling. Wel is zij zo vol liefde en overgave dat het me soms benauwt. Het lijkt net alsof mijn leven niet meer mijn eigen ervaring is, maar meer die van haar dominantie.

Het feit dat ik een man ben, maakt haar intens blij. Zij spoort mij extra aan om vooral naar de vijfdaagse te komen. Dit omdat zij snakt naar een man in het gezelschap. Ik voel me vereerd.

Toch ervaar ik ook een druk van: laat het nou niet afweten, dan zijn we namelijk met alleen maar vrouwen over. Behalve dat het financieel een investering vraagt, vind ik het ook lastig mijn ego los te laten.

Ik heb me dus ook wel laten verleiden tot deze ‘kundalini-tsunami’, vijf dagen zeer bewust ademhalen. Je heelt dan anderen en jezelf. Toch moet dit avontuur plaatsvinden. Ik duik er volledig in.

Tussendoor heb ik ’s avonds even contact met mijn partner. Na het avontuur hoor ik van haar dat ik bij dag twee al zweverig en onbereikbaar begon te praten. Alsof ik vanuit een cocon sprak. Mijn ademen zuigt me naar binnen, naar de meest vreselijke plekken in mijn geest. Het lukt me niet om voor deze plekken woorden te vinden.

Na afloop van de vijfdaagse rijd ik samen met mijn maatje naar huis. Na een aantal kilometers rijden durf ik niet verder. In mijn beleving beweegt alles op de snelweg te snel. Mijn maatje neemt het liefdevol over.

Ik word angstiger naarmate ik dichter bij m’n gezin kom. De kloof tussen het ‘ademavontuur’ en terug naar het gezin komen, voelt reusachtig, als een niet te nemen obstakel.

Als ik ben aangekomen op het parkeerterrein achter ons huis, merk ik dat ik in een andere snelheid ben gaan leven. Het ‘ademavontuur’ was een grote ontdekkingsreis naar rustig aan doen. Ik luister en volg mijn ademhaling. Gereset. Maar ik kan de verbinding met de gewone dagelijkse wereld niet meer maken. Heel beangstigend. Maar ja, ik moet toch mijn huis in. Mijn gezin ‘omhelzen’.

En dan gaat alles alsof ik in een rollercoaster terecht ben gekomen. Ik vind geen aansluiting. Mijn kinderen kijken me glazig aan. Of kijk ik glazig? Ze vinden me vreemd doen en herkennen me niet meer.

Dat voelt wel enorm heftig. Wat ik nog niet doorheb, is dat ik na al dat bewuste ademen mezelf rechtstreeks een psychose in geademd heb. José en Arie, mijn beste vriend, besluiten hulp in te schakelen.

Eerst ga ik naar de huisarts, en daarna rechtstreeks naar het ziekenhuis. Gelukkig is het niet nodig om een ambulance in te schakelen. Ik laat me geheel vrijwillig naar de psychiater brengen. Die heeft nog dossiergegevens van 25 jaar eerder, ten tijde van een observatie in een kliniek in verband met een mogelijke depressie.

In die vier weken observatietijd ben ik ook daadwerkelijk gediagnostiseerd als depressief. Die informatie helpt de psychiater in het ziekenhuis met zijn beeldvorming. Hij concludeert: ‘René, je zult af en toe last hebben van je bipolaire stoornis. Maar je bent niet de stoornis.’

Gek genoeg lucht deze diagnose me op. Mijn onrustige geest heeft eindelijk een naam. Omdat ik zo manisch als een deur ben, schrijft de psychiater medicatie voor me uit. Eindelijk geef ik me over.

Ik ben ziek, en ik wil weer beter worden. Het instellen van de medicatie verloopt zeer voorspoedig, in tegenstelling tot de vier weken observatie van heel lang geleden. Ik heb wel tijd nodig om te landen.

De abnormale snelheid en hoeveelheid indrukken gaan enige tijd door. Als ik uiteindelijk weer een stuk mag fietsen, zet ik mijn fiets in de achtste versnelling. Anders ga ik er als een speer vandoor. Wandelen doe ik met mijn bergschoenen. Lekker zwaar van gewicht.

Door het ademen ben ik steeds rustiger geworden, met weinig last van prikkels. Vervolgens ben ik in een mum van tijd ‘skyhigh’ gegaan. En nu gaat het iedere week wat beter. Iedere week voel ik me ietsje rustiger.

Ik slaap vooral weer veel beter en langer. Dat doet wonderen. Een aantal vrienden komt op ziekenbezoek, en ik maar raaskallen. Eigenlijk wil ik al mijn verworven inzichten in één minuut delen.

Langzaam gaat de vaart weer uit mijn intense leven. Ik voel uiteindelijk weer grond onder mijn voeten. Ik ben zo kwetsbaar. Alsof ik transparant ben.

José maakt het boos. Vooral dat de vrouwen niet op tijd hebben geconstateerd dat ik tijdens de workshop in een psychose terecht ben gekomen. Ik ben het helemaal met haar eens.

Pas veel later durf ik toe te geven dat ik deze vrouwen ook dankbaar ben. Ik durf door mijn pantser heen te breken, en ben nu bewuster dan ooit. Mijn ademhaling is mijn innerlijke zuurstof.

Het is ook een gevaarlijk offer geweest. Maar gelukkig leef ik nog. Intenser dan ooit.

Hoezo immigratie?

Tahar is wat mij betreft de bakker van de lekkerste broodjes shoarma in de stad. Hij wil nadat ik gegeten heb even met mij praten. Of dat goed is. Eerlijk gezegd ben ik erg benieuwd waarover hij me wil spreken. Het blijkt te gaan over een andere vaste klant met de naam Maan.

Zij komt uit Hongarije en is met haar Hongaarse vriendin regelmatig te vinden in de shoarmazaak. Tahar vraagt of ik geïnteresseerd ben in een gesprek tussen Maan, hemzelf en mij. Dat klinkt wel heel mysterieus. Waar gaat dat gesprek dan over? We spreken bij hem thuis af, zodat we vrijuit met elkaar kunnen spreken. Ik ben wel in voor een avontuur en zodoende spreken we een dag en tijd af. Naarmate de datum dichterbij komt, word ik toch wat nerveus.

Waar kan dit nou over gaan? Ik heb echt geen flauw idee. Loop ik gevaar? Nee, zo voelt de situatie niet voor mij.

Eenmaal aangekomen zijn we alle drie wat onwennig, en Maan vertelt haar verhaal. Zij spreekt heel goed Nederlands en zegt dat zij voelt dat zij in Hongarije niet echt een goede toekomst zal hebben. Dat is ook de reden dat ze naar Nederland is gekomen.

Vele Hongaren zeggen dat je in Europa makkelijk een verblijfsvergunning kunt krijgen voor Nederland. Zij is er inmiddels achter gekomen dat dat nog niet zo een-twee-drie voor elkaar te krijgen is. Maan ziet er kwetsbaar uit en ze voelt oprecht. Haar vraag is of ik haar kan en wil helpen.

Uiteraard vraag ik natuurlijk eerst: waarmee dan? Als zij middels een samenlevingscontract kan laten zien dat zij uiteindelijk vijf jaar met een Nederlander heeft samengewoond, dan kan zij de Nederlandse nationaliteit krijgen. Wil ik minstens vijf jaar met haar samenwonen?

Ik voel een ware schok door me heen gaan. Wat bijzonder dat een medemens mij dit vraagt. Maar tegelijkertijd gaan er allemaal alarmbellen af. Pas op, pas op! Ik heb behoefte om een en ander eerst met wat intimi te delen en dan te bepalen wat mijn antwoord zal zijn.

Maan is een fascinerend mens om te zien. Met haar diepblauwe ogen kijkt zij me aan en ze moet glimlachen. We spreken af dat ik met een antwoord terugkom bij haar, en we wisselen ondertussen gegevens uit, zodat we elkaar makkelijk kunnen contacten. Terwijl ik weer naar huis fiets, flitsen er allerlei gedachten door me heen.

Kan ik Maan en Tahar vertrouwen? Hoe vast zit ik aan een samenlevingscontract? Wat als ik ondertussen een ander mens ontmoet waar ik helemaal smoor op word? Wat gebeurt er na die vijf jaar?

Maar het belangrijkste vind ik eigenlijk dat ik mijn vrijheid niet kwijtraak. Ik woon als vrijgezel prima en het op mezelf wonen bevalt voor nu uitstekend. Wat zou ik me op de hals halen?

Aan de andere kant kan ik wel een medemens echt helpen. Daar ben ik altijd bijzonder gevoelig voor. Tussendoor neem ik contact op met Maan, en ik vraag haar of we dan een soort latrelatie aan zouden kunnen gaan. Op die manier behoud ik in ieder geval m’n zelfstandig en vrijheid. Bovendien woont Maan op dit moment samen met een Hongaarse vriendin, en zij vindt het ook fijn om daar voorlopig mee samen te blijven wonen.

Zij moet gniffelen en zegt dat we niet per se hoeven samen te wonen. Dat is prettig om te horen. Ik vertel haar dat het een lastig besluit is, omdat deze deal niets te maken heeft met verliefd zijn op elkaar. Toch meestal het uitgangspunt om uiteindelijk een vaste relatie te beginnen en te gaan samenwonen.

Inmiddels heb ik een aantal intimi gesproken en zij zijn blij dat ik iets wil betekenen voor een medemens. Tegelijkertijd wijzen ze mij op de enorme verantwoordelijkheid die ik op me zou nemen. Alles in het kader van het welzijn van een onbekende vrouw uit Hongarije. Dit is precies waardoor ik ook twijfel. Zo’n samenlevingscontract voelt zo definitief.

Enige tijd later spreken we met z’n tweetjes af. Ik wil Maan eerst wat beter leren kennen. Zij vindt het geweldig dat ik niet direct nee zeg. We spreken hierna nog verschillende keren af. Wat een warme persoonlijkheid en ook nog een bijzonder pittige dame. Maar wat voelt dit ook raar dat Maan zo afhankelijk is van mij en mijn besluit. Dat machtsgevoel windt me gek genoeg op.

Ik deel deze gevoelens met haar en weer kijkt zij mij vol vertrouwen aan. Ze zegt dat zij zich niet afhankelijk voelt van mij. Het zou geweldig zijn als er een klik is, maar zo niet, dan gaat ze verder op zoek. Haar kracht en humor ontroeren me. Wat een moedig avontuur om vol vertrouwen naar Nederland te komen en je in ons land staande te houden.

Ik voel respect voor wat Maan onderneemt, en vooral voor de manier waarop. Niks geen machtsgevoelens meer. En doordat we gezamenlijk uitstapjes maken, ontstaat er vertrouwen. We merken bijvoorbeeld hoe belangrijk het is dat we onszelf zijn en blijven. Het mooie van alles is dat dat ook bijna vanzelf zo gaat. Er ontstaat ook meer vertrouwen naarmate we meer afspraakjes hebben. Op een geheel ongedwongen manier leren we elkaar beter kennen.

Uiteindelijk bemerk ik zelfs dat ik aan Maan gehecht begin te raken. En hoe fijn het ook is om weer een intiem maatje om me heen te hebben. Ook Maan vertelt dat zij een hechte klik ervaart. Wie had dat ooit gedacht: wij worden zowaar verliefd op elkaar.

Een nieuw avontuur vangt aan. Ik wil alleen nog niet samenwonen, al behoort dat wie weet later uiteraard wél tot de opties. Eerst gaan we met de trein op reis naar Maans geboorteplaats aan het Balatonmeer in Hongarije. Daar zal ik haar ouders voor het eerst ontmoeten. Na de reis bedenk ik me ineens dat deze reis al wel heel veel hoop geeft op een vaste relatie. Alles tussen Maan en mij voelt wel heel echt en spontaan.

Voorlopig geniet ik volop van de zich ontwikkelende vriendschap tussen Maan en mij. We zijn toch gekoppeld en ervaren nu al een klik. Vandaar deze reis in zo’n vroeg stadium en ook hier voel ik me een vreemde eend in de bijt. We komen aan in Amsterdam en stappen daar over op de internationale trein richting Boedapest.

We hebben nog wat overstaptijd over en gaan nog wat drinken in een grand café. Daar check ik mijn papieren en ontdek tot mijn grote schrik dat mijn paspoort verlopen is. Wat een drama. We hebben een geplande en dus geboekte reis, met tickets en al. Op Schiphol weet ik hoe je zo’n probleem kunt oplossen. De marechaussee kan je daar een vervangend reisdocument meegeven. Maar hier op Amsterdam Centraal?

De tijd dringt: we hebben nog ongeveer dertig minuten. Veel te kort om een vervangend reisdocument te regelen, en waar moet je naartoe? De politie? Ik voel me zo dom en reageer behoorlijk naïef. Ik stel voor om met mijn verlopen paspoort de gok te wagen. Lang leve de vrije grensovergangen.

Als ik al gecontroleerd word, zullen de ambtenaren me vast wel willen matsen. Dus net doen alsof ik van niets weet wordt een leugentje om bestwil. Althans, dat maak ik mezelf wijs. Maan voelt zich opgelaten en stelt voor om de tickets om te laten boeken en op een ander tijdstip naar Hongarije te reizen. Dit is weer zo’n situatie waarin ik eigenlijk in paniek raak, maar net doe alsof ik overzicht heb, me onbewust van mijn hoge ademhaling. Vervolgens word ik overvallen door paniekaanvallen, maar deel het gevoel daarbij niet. Uit welke ex-relatie ken ik dat nog meer?

Ik deel mijn onzekerheid niet voldoende, dus Maan heeft geen idee. Dat denk ik tenminste. Wat is nu het beste om te doen? Vasthouden aan dat wat afgesproken is lijkt mij de fijnste uitweg. Maar eigenlijk zet ik ons daarmee alleen maar klem. Natuurlijk kan er onderweg gecontroleerd worden en lopen we serieus de kans niet verder te kunnen reizen. Nog vijf minuten te gaan. Wat doen we? Uiteindelijk stappen we toch in. Ik wil de gok echt wagen. Maan gaat uiteindelijk akkoord.

Onze reis wordt vervolgd en ja hoor, op de grens met Hongarije gaat het goed mis. Er is een strenge controle waarbij iedereen wordt gecontroleerd. Uiteraard ontdekt de douanier dat mijn paspoort is verlopen. Hij laat ook duidelijk merken wie hier het gezag heeft en haalt zijn collega erbij. Er wordt besloten dat we er bij Boedapest uit moeten en dat we worden overgedragen aan de politie, die de zaak verder zal afhandelen.

Wat een ellende, ik schaam me kapot. Zeker tegenover Maan, maar ook tegenover haar ouders. Waarom heb ik ons nou toch in deze situatie gebracht? Maar de ellende gaat nog verder en dieper. Eenmaal in Boedapest word ik in een stationscel gezet, in afwachting van de volgende stap. Maan moet buiten wachten.

Een paar uur later snap ik dat het vastzitten niet alleen met het verlopen van mijn paspoort te maken heeft. De politie heeft contact gezocht met hun collega’s in Nederland. Het schijnt dat er in Nederland een bekeuring openstaat. De Hongaren en Nederlanders zijn meedogenloos. Ze willen me terugsturen naar Nederland om mijn zaken af te handelen. Daarna ben ik weer van harte welkom in Hongarije.

Terug naar huis? Maan heeft ondertussen haar netwerk ingeschakeld. De vader van een vriendin van haar werkt voor de politie in Boedapest. Hij probeert mij een kans te geven onder voorwaarden verder te reizen, maar die openstaande bekeuring is het struikelpunt. Hij krijgt het niet voor elkaar. Maan besluit verder te reizen nadat ik op de trein naar Amsterdam word gezet. Ik voel me zo boos en verdrietig tegelijk. En ik realiseer me dat ik deze situatie vooral aan mezelf te danken heb. Ik had mijn paspoort voor vertrek moeten controleren.

Wat me eigenlijk het meeste dwarszit, is hoe er nog een bekeuring open kan staan. Eenmaal terug in Nederland ga ik direct op onderzoek uit. Eerst vraag ik een nieuw paspoort aan. Ik ga telefoneren met de justitionele instanties die mij duidelijkheid kunnen verschaffen over de openstaande bekeuring. En hoe kan het nou dat ik om die reden geen vervangend reisdocument in het buitenland kan krijgen?

Tot overmaat van ramp vertelt de medewerkster me dat zij een fout hebben gemaakt. De openstaande bekeuring staat niet op mijn naam. Hoe kan het dan dat mijn naam naar boven is gekomen op het moment dat er vanuit Boedapest onderzoek gedaan werd? Ze heeft er geen antwoord op. Ik vertel haar over mijn schaamte tegenover Maan en haar ouders. Ze biedt namens de Nederlandse Justitie haar verontschuldigingen aan maar kan de situatie uiteraard niet meer terugdraaien. Naar een schadevergoeding kan ik ook fluiten. Want het feit blijft dat als ik mijn paspoort op orde had gehad, er helemaal niets aan de hand was geweest. Wat een les!

Intussen bereidt Maan zich er weer op voor om naar Nederland terug te komen. Wij besluiten een latrelatie te beginnen en een gezamenlijke reis rond de Kerst te plannen. We gaan opnieuw richting haar ouders in Hongarije. Uiteraard is nu wel alles op orde bij mij. Dat zorgt voor een voorspoedige reis.

We reizen langs het immens grote Balatonmeer. De trein volgt het spoor dat zich pal naast het meer bevindt. Bij de eerste ontmoeting met haar ouders is het alsof ik op audiëntie ga. Op onze bestemming staan ze al te wachten. Mijn eerste reactie is er een van ontroering, zo bescheiden als ze staan af te wachten wat wij gaan doen. En wat zijn ze klein. Ik word allerhartelijkst begroet en Maan vertaalt alles heel liefdevol. In hun appartement aangekomen maak ik kennis met Maans zus, en ik voel me al snel opgenomen in het gezin. Ik ben echt bekaf van het reizen en alle indrukken en ga naar de logeerkamer om te rusten. Ik val direct in slaap.

We ondernemen allerlei uitstapjes. De Hongaarse landschappen zijn adembenemend mooi. Zo met z’n tweetjes genieten we van dat wat op ons pad komt. Zeker als we de druiventuin van haar pa en ma gaan bekijken. Zoveel druiven, wat een prachtig gezicht.

Maan ziet mijn enthousiasme en nadat we enige tijd op de wijngaardtuin van haar ouders zijn geweest, nodigt ze mij uit om bij vrienden van de familie langs te gaan. Ook die hebben druiven in de tuin. Die uitnodiging sla ik natuurlijk niet af en voordat ik het weet, loop ik in de felle zon door de mooiste wijngaarden.

Ook dan weet ik nog niet dat mijn stemmingen door deze felheid beïnvloed kunnen worden. Dat komt omdat de warmte me laat zweten. Dan moet ik echt goed mijn waterinname op peil houden, en vooral ook mijn zoutgehalte. Het gaat dan niet om keukenzout, maar om natriumcarbonaat. Met een tekort aan dat speciale zout en water vergroot ik de kans dat ik ziek word en in een hypomane fase terechtkom.

Dat ik die kennis nog niet heb, levert soms gevaarlijke situaties op. Want langs de wijngaarden gaan is vooral heel leuk, maar de eigenaren willen je graag meenemen naar hun diepe kelders. Het is daar heerlijk koel en het is niet beleefd om een glas zelfgeproduceerde wijn af te slaan. Ik zal je vertellen dat dat niet bepaald een straf is, overheerlijke wijn slurpen, waarbij de druif als het ware charmant in je mond ontploft. Maar dan.

We lopen weer naar buiten, waar het zomers heet is. We bedanken voor de gastvrijheid en Maan brengt me naar de volgende wijngaard. Ook daar weer hetzelfde ritueel. De wijn smaakt daar zelfs nog lekkerder en het is fijn dat Maan alle communicatie vertaalt. Toch, als we uiteindelijk naar de vierde wijngaard onderweg zijn, voel ik me steeds lichter in m’n hoofd worden, en mijn lijf voelt loodzwaar.

Geen goede combinatie. Bovendien denk ik inmiddels dat ik een Hongaar ben en vloeiend Hongaars spreek. Ik ben echt dronken. Ik weet niet meer precies hoe we weer bij Maans ouderlijk huis aankomen, maar ze weet mij op het logeerbed te krijgen. Volgens Maan val ik Hongaars sprekend in slaap.

Ze is echt een lieverd, maar ik merk dat alle verliefdheid bij mij begint te verdampen. Ik ervaar haar nu veel meer als maatje. Ze begrijpt het gelukkig wel en toont begrip voor het feit dat ik voor iets meer afstand kies. Wel behoorlijk lastig nu we met elkaar op vakantie zijn en Maan nog wel verliefd is op mij. Toch hebben we het nog heel fijn samen.

Het lastigste vind ik zelf dat we nog genoodzaakt zijn bij elkaar in een bed te slapen. Er is gewoonweg te weinig ruimte in het appartement van haar ouders. Om voor de rest van de dagen een hotel te boeken, vind ik weer te afstandelijk. We blijven zonder enige moeite op ons eigen kantje.

Ik ben gek

Ik logeer regelmatig bij mijn broer Max. Hij woont in de studentenstad Leiden. Een enkele keer ben ik bij een door Max te volgen college.

Bij een van die colleges zegt de betreffende professor: ‘U bent van harte welkom bij dit college. Mag ik u vragen wat u studeert?’ ‘Zeker, ik studeer “autodidactisme”.’ Hilariteit alom. Ik mag blijven luisteren, en zo hebben Max en ik heel wat ontmoetingen in de universiteitsstad.

Op zeker moment krijgt hij te horen dat het oude statige pand waarin hij woont binnen een jaar gesloopt gaat worden en de bewoners andere woonruimte moeten gaan zoeken. Aangezien het nogal lastig is om geschikte andere woonruimte te vinden, stel ik voor dat hij bij mij komt wonen.

Dat betekent beduidend meer met de trein pendelen tussen Haarlem en Leiden, maar Max grijpt het aanbod met beide handen aan. Ook kat Otto gaat mee. Wat een bonte boel in huize Booms. Uiteraard zijn er zo nu en dan ook lastige situaties, maar die worden meestal ook weer uitgepraat.

Even een stukje geschiedenis

Rond mijn twintigste kom ik met een chique oudere dame in aanraking. Zij heeft net een mooi groot huis in Zandvoort gekocht. De vriendschap die tussen ons ontstaat, maakt dat ze op zeker moment vraagt of ik misschien interesse heb in het huren van het compleet verbouwde zomerhuisje.

Alles zit erin. Een kleine keuken, badkamer en een woonkamer. Voor mij helemaal perfect, dus ik verlaat het ouderlijk huis. Dit als laatste kind, want mijn zus is gaan samenwonen met haar vriend en mijn broer woont en werkt in Leiden, waar hij ook aan de universiteit studeert.

Wat een prachtig nieuw begin als twintiger. Dicht aan het strand en toch ook de grote stad binnen handbereik. Ik woon er met veel plezier, al beginnen ook hier weer de depressieve gevoelens op te spelen.

Samen met mijn huisbazin en vriendin praat ik hier wel over. Zij is een wijze dame maar kan mijn depressie natuurlijk niet wegtoveren. Het meest belangrijke stofje om weer in actie te komen, serotonine, maak ik niet voldoende aan. Ik eet wel voedingsmiddelen waar de stof in zit, maar in zijn totaliteit krijg ik te weinig binnen.

Doordat ik inmiddels wel een echte ‘overlever’ ben geworden, zet ik me zoveel mogelijk over mijn depressie heen. Ik heb al wel eerder met mijn huisarts gesproken over medicinale ondersteuning omdat ik me buitengewoon onrustig voel.  

Ook de snelheid van rondrazende gedachten in mijn hoofd zijn niet om uit te houden. Ik blijf hobbelen van het ene uiterste naar het andere, van diep somber zijn naar overactief overal overheen walsen.

Ik snap geen bal van mezelf maar overleef wel. Door regelmatig gewoon heel praktisch te blijven, weet ik de meeste stemmingsschommelingen te doorstaan. Zonder besef van hoe gevaarlijk ik aan het leven ben.

Ik vind het op zeker moment toch zonde van mijn geld om iedere maand een pittig bedrag aan huur kwijt te zijn. Dat moet anders kunnen. Ik heb inmiddels een goede baan met een contract voor onbepaalde tijd bij de KLM.

Dat zorgt ervoor dat ik op pad ga om een eigen huis te kopen. Door in een huis te investeren, bouw ik een mooi kapitaal op voor later. Ik val als een baksteen voor een huis in Haarlem uit 1939 met een voor en achterkamer, waarvan de kamers gescheiden worden door schuifdeuren met prachtig gekleurd glas in lood.

Het voelt alsof ik in de hemel ben beland. Ik doe direct een bod en voor ik het weet ben ik de trotse eigenaar van dit bijzondere stadshuis. Een vriendin die voor het eerst komt om te proeven van mijn nieuwe onderkomen vertelt me dat ze het huis naar vakantie vindt ruiken.

Wauw, een groter compliment kan ik me niet voorstellen. Wat een mooie beschrijving. Ik voel me gezegend dat ik het huis heb gekocht, al verklaren veel mensen me voor gek omdat ik zo’n grote investering in mijn eentje doe, en dat al op mijn eenentwintigste.

De verademing van klassieke muziek

Wat een verrijking om te luisteren naar klassieke muziek en tegelijkertijd autobiografieën van onder andere Ayaan Hirsi Ali en Pim Fortuyn te lezen.

Ik voel me als twintiger enorm geraakt door de intensiteit van het geschrevene. En er is een gevoel van herkenning waar het gaat om het ‘zwarteschaap-gevoel’. De klassieke muziek klinkt verfijnd op de achtergrond. Ik wil meer.

Voor mij begint het beluisteren van klassieke muziek met de aanschaf van een cd-box. De cd-box heet Aangenaam Klassiek. Je krijgt veel verschillende muziek op twee of drie cd’s. De verkoopprijs is met tien gulden (€4,75) absurd laag.

Ik luister het liefst naar muziek waarbij de cello te horen is. De cd’s leren mij naar uiteenlopende klassieke stromingen te luisteren. De gedeeltes van de werken die adagio’s worden genoemd ontroeren mij het meest.

Ik hoef niet per se hele werken van begin tot eind te horen; een adagio vormt voor mij een soort samenvatting van het hele werk. Alles komt samen, valt weer uit elkaar en vormt zich uiteindelijk tot een compleet muzikaal overzicht.

In mijn net nieuw gekochte eerste huis wil ik dolgraag een houten muziekmeubel op vier poten. Super ouderwets, maar zo prachtig. Ze werden in de jaren zeventig massaal verkocht. Het voordeel van de techniek die in dit apparaat zit, is dat ik ook 78 toerenplaten kan afspelen met een speciale naald. Geniaal.

Het lukt me een complete opera op bakelieten platen aan te schaffen en mijn eerste opera te beluisteren. Met kaarslicht, een sigaar, pure chocolade en leren Santa Fe-laarzen from the States voel ik een intense blijheid.

Ik zoek steeds dieper in de wereld van klassieke instrumenten en dan vooral naar de diversiteit van dirigenten. Jaap van Zweden heeft een enorme aantrekkingskracht op mij. Hij voelt voor mij als een soort bezetene die ook nog mijn taal spreekt.

Jaap vertegenwoordigt voor mij alles wat met klassiek te maken heeft. Zijn vioolspel klinkt voor mij zo overtuigend. Als vanzelf. Hij inspireert met z’n authenticiteit, maar ook door zijn perfectionisme. Dat perfectionisme helpt hem, maar ik zie ook een man die worstelt.

Ik ben geen virtuoos, maar herken wel een soort Jaap van Zweden in mezelf. Met name wat betreft het gaan voor absolute diepgang.

Nu lijkt het me ook heerlijk om de muziek eens live te mogen ervaren. Ik ga naar de Mattheüspassie in het Haarlemse Concertgebouw. Wat een bedoening zeg, met zoveel opgetutte mensen.

Aangezien ik erg gevoelig ben voor stemmingen, ben ik binnen een uur door mijn energie heen. Gelukkig kan ik wel genieten van het eerste gedeelte van de Passie.

Jaren later komt er een versie van de Passie op de televisie. Dat is handig, want dan hoef ik zelf niet in de drukke mensenmassa mee te lopen. Deze Passiebewerking is groots opgezet. Vele bekende musicalsterren, acteurs en zangers spelen mee.

Aan het begin van de stoet wordt een zes meter lang verlicht kruis gedragen. De dragers zijn willekeurige mensen uit de samenleving. Ze vinden het een eer om het kruis te mogen dragen. De bekende Nederlanders spelen het verhaal in Rotterdam. Daar worden allerlei locaties uitgezocht waar een bepaald hoofdstuk uit de Bijbel het mooist tot zijn recht komt. Het voelt imposant. Ik merk dat ik gevoelig ben voor dit soort livebeelden. Het zijn verbondenheid en pracht die ik ervaar.

Tijdens de Kunst10-daagse 2018 in Bergen ben ik op weg naar kunstenaar Joshua Pennings. Op een gegeven moment fiets ik langs een heel klein huis en rij terug om het beter te bekijken. Er staat een bord in het tuintje met daarop de aankondiging dat er piano wordt gespeeld in het huisje van Simeon ten Holt. Hier heeft de grote meester dus gewoond en heel wat composities geschreven. Ook de Canto Ostinato.

Daar is een documentaire over gemaakt en draait in de Filmschuur in Haarlem. Dat is een plek voor alternatieve filmvoorstellingen. Het is 2011 en ik ben net een maand herstellende van mijn psychose. Wat een zenuwslopende tijd. Maar wat een geluk: door deze psychose kan er voor het eerst een officiële diagnose ‘bipolair’  worden vastgesteld.

Ik neem op weg naar de Filmschuur een afsprakenlijstje mee. Tijdens het reizen ondersteunt dit lijstje mij. Er staat precies opgeschreven wat ik bijvoorbeeld moet doen als ik met de trein in Haarlem arriveer en vervolgens naar de Filmschuur moet lopen.

Dit zodat ik niet afgeleid raak door andere routes. Dit lijstje heb ik samen met mijn partner opgesteld. Het voelt veilig, en onderweg merk ik dat het handig werkt, zo ‘indrukvrij’ mogelijk reizen.

Ik stap het gebouw in en word daar al vrij snel aangesproken door een dame. Zij herkent me maar weet niet waarvan. Ik herken haar in eerste instantie niet. Ze vertelt gepassioneerd over Simeon ten Holt en zijn Canto Ostinato, en we besluiten naast elkaar te gaan zitten in de Filmschuur. Heftig onder de indruk van de documentaire gaan we wat drinken aan de bar en hebben we het over woonplekken.

Ineens valt het kwartje. Ik ben de buurman geweest van haar inspirerende ouders. Zij komt veel bij haar ouders over de vloer. Zo ook met verjaardagen. Op een van die verjaardagen hebben we elkaar ontmoet en zijn we met elkaar in gesprek geraakt. Wat een leuke ontmoeting. Zij zorgt er later ook nog eens voor dat ik de Ostinato op een cd krijg toegestuurd.

Als ik eenmaal een veertiger ben, zal ik voor het eerst een livevoorstelling van meer dan drie uur kunnen beluisteren. Dat is te danken aan Simeon ten Holt met zijn sublieme Canto Ostinato. Mijn partner gaat met mij mee.

Wat een beleving: er wordt ook gebruikgemaakt van video. Muziek en beelden wisselen elkaar af. Het is een hele zit op een stoel, maar de klanken van de vier vleugels komen zó rechtstreeks bij me binnen. Ze raken mijn ziel. En wat heerlijk dat José, mijn vrouw erbij is.

Foto Quentin Ecrepont

Mijn eerste liefde

Na heerlijk te hebben getennist, zie ik in mijn ooghoek een prachtig meisje. Vooral haar bijna sprookjesachtig witte haren vallen mij direct op. Zij is een vriendin van een van mijn tennismaatjes. In de loop van de tijd kom ik erachter dat zij al een vriendje heeft. Balen.

Maar als bij toverslag gaat deze verkering uit. Lente is zo mooi en dat maakt mij behoorlijk verlegen. Kan zo’n mooi meisje ook verliefd worden op een puberjongen zoals ik?

En ja hoor, uiteindelijk worden we smoorverliefd op elkaar. Mijn eerste echte vriendinnetje. Wat een rijkdom. Ze is zo’n onwijze lieverd. Bijna te lief. Voor mij breekt een heuse leerschool aan. Haar liefde is zo puur. Ik ben zestien jaar, en Lente is twee jaar jonger. Door me kwetsbaarder op te stellen, word ik stukje bij beetje minder onzeker. Als puber jagen de zenuwen door mijn lijf.

Ik werk op zaterdagen in een supermarkt en Lente komt me na m’n werkdag trouw ophalen. Terugfietsend kletsen we lekker bij en ik ga dan altijd brood eten bij haar ouders en lieve zus. Aan een rijkelijk gevulde tafel gaan de verhalen heen en weer.

Haar vader is behoorlijk streng. Zodoende krijg ik regelmatig vragen over hoe het met mijn studie gaat. Lastig te beantwoorden, omdat er zo’n druk komt te liggen op presteren. In de kern zie ik gelukkig wel dat Lentes vader een warm hart heeft.

Moeder houdt alles in het liefdevol gareel. Dat maakt dat ik me ook kwetsbaar durf op te stellen. Ik vertel haar vader dat ik niet graag naar school ga. Ik ben wel nieuwsgierig, en excentrieke mensen boeien me mateloos, maar die vind ik niet op school.

Haar vader vertrouwt me wel en dat vind ik het belangrijkste. Twee jaar verder heb ik net m’n rijbewijs gehaald, en dan mag ik bijvoorbeeld gewoon in zijn auto rijden. En als de familie met hun motorjacht naar Parijs gaat, wordt me gevraagd of ik het leuk vind om mee te gaan. Nou echt wel.

Achteraf bezien heb ik deze aangeboden zomerreis danig onderschat. De vierkante meters zijn beperkt, en als je een behoorlijk strak vaarschema hanteert, dan kun je niet zomaar even afmeren voor een paar uur vasteland onder je voeten.

Maar veel heftiger is het feit dat er echt hete dagen zullen zijn, terwijl ik me nog niet van mijn bipolaire stoornis bewust ben. Zweten dus en een zout tekort. Maar Lente is zo’n schatje en wat is ze mooi, zeker als ze zo bruin kleurt van de zon. En dan haar hoogblonde haren. Door haar zijn alle perikelen hanteerbaar.

Totdat we op zeker moment de diepste sluis van Nederland naderen en het jacht de sluis van Maasbracht in vaart. De touwen worden om de bolder geslingerd. Tegenwoordig zijn er drijfsystemen voor. De bolder gaat op en neer mee met de verandering van het waterpeil. Maar die waren er toen niet. We wachten tot het water bijna twaalf meter gezakt is.

De eerste meters gaan prima, totdat we erachter komen dat de lijnen te kort zijn. Totale paniek, want op deze manier zal het schip aan de lijnen blijven hangen, met alle gevolgen van dien. Pa begint te vloeken, maar heeft een geweldige tegenwoordigheid van geest. Hij sprint naar binnen, haalt een groot mes uit het keukentje en snijdt de touwen door.

Touwen die op spanning staan doorsnijden is levensgevaarlijk: de touwen worden ongeleide projectielen. Daardoor kunnen er ernstige ongelukken gebeuren, waarbij van alles doorklieft wordt. We rennen allemaal in een fractie van een seconde weg van de touwen. Het schip hangt zo’n anderhalve meter boven het sluiswater en knalt met een klap naar beneden.

Niemand raakt gewond en het schip is niet beschadigd. Onze tocht wordt vervolgd. Wat zijn we opgelucht dat dit ‘hangavontuur’ goed is afgelopen. Na het hele gebeuren zit iedereen wat bedrukt te staren terwijl we alweer naar de volgende sluis aan het varen zijn. Ik heb dat echt totaal onderschat.

Zoveel sluizen en zoveel saaie lange rechte stukken door kanalen. Ik overweeg onderweg nog wel om aan land te gaan en terug naar huis te reizen. Maar Lente dan, die wil ik niet missen.

Uiteindelijk is het een pracht van een levenservaring. Lente is liefdevol en geduldig. Samen hebben we het heerlijk. De zomervakantie is alweer zo goed als voorbij en het echte leven begint weer. Het lastige is dat Lente en ik twee jaar in leeftijd verschillen. Inmiddels ben ik achttien en Lente zestien. Ik mag dus niet met haar vrijen.

Technisch gezien zou ik dan met een minderjarige vrijen en dus strafbaar zijn voor de wet. Ik krijg die beperkende gedachte maar niet uit mijn hoofd. Nou kun je natuurlijk op vele manieren ook fysiek van elkaar genieten, maar voor mij is het niet genoeg. Wat voel ik me een egoïst. Lente wordt er heel onzeker van. Dat vind ik nog het ergste, haar pijn te doen met mijn drang. Toch overheersen mijn gevoelens en willen ze gehoord worden. En natuurlijk heeft dat niets te maken met vrijen of niet. Maar dat begrijp ik dan nog niet!

Ik neem het vreselijke besluit het uit te maken. Nu ik deze zinnen aan dit boek toevertrouw, voel ik weer knellende draaiingen in mijn buik. Er is zoveel onmacht bij Lente, maar ook bij mijzelf. Ze is er helemaal stuk van. Ze raakt totaal in paniek. Ik voel me een monster. Na nog wat dappere pogingen van Lente om mij te laten inzien dat ik een verkeerde beslissing heb genomen, blijf ik bij mijn besluit.

Uiteindelijk is het mooie van het verhaal dat Lente al vanaf de eerste dag een warme band krijgt met mijn ouders. Tot op de dag van vandaag komen ze elkaar zo heel af en toe tegen bij de coffeeshop van de banketbakkerswinkel en ze is dan nog net zo blij om mijn ouders te zien als die eerste keer. En ja, zij is gelukkig, heeft kinderen en is nog steeds een mooie vrouw om te zien.

Foto Jasmine Carter

Leven met een diagnose

In de zomer van 2007 krijg ik een pracht van een baan bij een nieuwe werkgever in de sociale sector. Het zal mijn laatste worden. Ik ga voor een visie-gestuurde organisatie werken. Alle mensen zijn gelijkwaardig en elk mens is uniek.

Wat een mooie opmaat naar tien intensieve werk- en privéjaren. Het zal nog vier jaar duren voordat er bij mij uiteindelijk de diagnose bipolair kan worden vastgesteld. In die tien jaar tijd werk ik als individueel begeleider en cliëntbegeleider.

Voor mijn collega’s is mijn stoornis vaak een last. Veel collega’s begrijpen mij niet. Ze vinden me geen doorzetter. Mijn schaamte voor het feit dat ik mensen blijkbaar zo tot last kan zijn, is eigenlijk niet op zijn plaats. Mijn stoornis is geen mentale kwestie, maar een biologische. Ik maak zelf geen lithium (zoutelement) aan.

Dit verhaal over mijn ervaringen op de werkvloer is belangrijk voor mij. Vooral wil ik er aandacht en begrip mee vragen van mijn oude werkgevers voor medewerkers met een psychisch ziektebeeld.

Stigmatisering op de werkvloer is een meer besproken thema geworden de afgelopen tien jaar. Mijn onwetendheid en die van vele ex-collega’s, en het daarmee gepaard gaande gevoel van onmacht, heeft diepe indruk op me gemaakt.

Ik heb me vaak onzeker en kwetsbaar gevoeld. Mijn oude werkgevers hebben mij ook de kans gegeven zelf met creatieve oplossingen te komen.

Bijvoorbeeld door op zoek te gaan naar een onafhankelijk personal coach. Na lang zoeken heb ik haar gevonden. Het mooie van deze jarenlange coaching is dat er inmiddels een vriendschap aan het ontstaan is.

Ik voel dat ik eindelijke afscheid van het pedagogisch werk bij mijn werkgever kan nemen. Door mijn nieuwe schrijverswerk komt ook mijn privéleven weer in balans.

Begrip vormt het centrale thema bij het afscheid. Als er geen wederzijds begrip is, dan is er ook geen respect voor elkaars situatie. Voor begrip heb ik hard moeten knokken.

Anno 2018

En wat een turbulent anderhalf jaar, zo samen met gezin, vrienden en familie. Vanaf juni 2017 ben ik gestopt met het werken voor een werkgever. Wat een vrijheid.

Als eigen baas kan ik makkelijker mijn levens- en werkritme vinden. Ik besluit over mijn bipolair leven te schrijven. Via mijn blogsite, LinkedIn en Google publiceer ik artikelen. Met de artikelen en de reacties daarop begint mijn bipolaire leven ook een digitale plek te krijgen.

Een autobiografie ligt in het verschiet. Veel mensen zullen zich in de verhalen gaan herkennen en tevens kan mijn boek dienen als handleiding voor behandelaren, therapeuten en psychiaters. Het boek word geschreven door een ervaringsdeskundige en levert dus direct informatie op uit de levende praktijk van alle dag.

Elektrotherapie

Een laatste gebeurtenis op de lagere school die op mijn netvlies gebrand staat, vindt plaats als we net voor de zomervakantie buiten ‘sliertentik’ spelen. Iemand begint door een ander te tikken. Dan moeten ze met z’n tweeën elkaars hand vasthouden, zodat de derde getikt kan worden. En zo gaat het verder.

Ik schat dat er een sliert van zes of zeven kinderen getikt is als ik als laatste nog afgetikt moet worden. Veel klaslokaalramen staan naar buiten toe open vanwege het warme weer.

Ik besluit mijn schoenklompen uit te doen zodat ik harder kan rennen. Door de hoge snelheid vlieg ik uit de bocht. Met mijn rechterhand probeer ik mezelf via het raamkozijn af te weren. In plaats daarvan schiet ik met mijn linker arm door het glas. Ik voel het glas door mijn arm heen snijden.

Het gevolg is dat m’n arm openligt en ik hevig bloedend begin te schreeuwen. Ik ren naar binnen, waar mijn leraar zo snel als hij kan een theedoek om mijn bovenarm draait. Zo kan hij de ergste bloeding stelpen.

Onze directeur besluit dat het te lang duurt om een ambulance te laten komen. Ik word in de auto van een van de leraren gezet en met spoed naar het ziekenhuis zo’n vier kilometer verderop gebracht.

Mijn ouders worden op de hoogte gebracht en komen direct naar het ziekenhuis. Inmiddels ben ik al een aantal liter bloed verloren en de neuroloog vertelt mijn ouders dat hij bang is dat hij mijn arm niet kan behouden en tot amputatie over zal moeten gaan. Hij wil nog een poging wagen en wat een geluk: na vijf uur hebben ze alles kunnen hechten en me weer van voldoende bloed kunnen voorzien.

Na een jaar elektrotherapie, begeleid door een liefdevolle therapeut en met fantastische begeleiding van mijn moeder, begin ik zelfs weer gevoel te krijgen in mijn vingers. Het gevoel is er grotendeels uit omdat mijn zenuwen afgesneden zijn.

De specialist vindt het te riskant om een lange operatie van zo’n acht uur uit te voeren om mijn zenuwen weer te verbinden. Uiteindelijk groeien zenuwen vanzelf weer aan. Super langzaam, nog geen millimeter per jaar, maar zo kunnen we een operatie vermijden.

En uiteindelijk, jaren verder, is het gevoel inderdaad zo goed als hersteld. Als ik nu in een vinger van mijn linkerhand knijp, lijkt het net of ik in een soort olifantshuid knijp. De hele gebeurtenis laat een diepe indruk bij me achter.

Het leuke is dat ik al heel wat jaren verzot ben op lego. Het spelen met legoblokken helpt mij bij mijn revalidatieproces. Ik moet weer helemaal opnieuw mijn vingerspieren leren gebruiken.

Inmiddels heb ik de leeftijd dat ik me helemaal stort op technisch bouwen, bijvoorbeeld een vuurtoren met een draaiende kop die lichtbalken ver laat schijnen. Op zeker moment doe ik met mijn vuurtoren mee aan een grote legowedstrijd. Met mijn derde plaats ben ik zo waanzinnig blij.

Ik mag op het grote podium voor in een stadsbioscoop komen staan. Een applaus in ontvangst nemen voelt raar. Normaliter ben ik als legobouwer in mijn eentje aan het bouwen, en nu sta ik in een volle bioscoop. Wat een gaaf moment.

Foto Kindel Media

Agressie in 288 woorden

Met mijn dikke billen zit ik op het gras van onze achtertuin, zwaaiend naar wie voorbijkomt over het smalle paadje. Zolang ik mezelf kan herinneren, ben ik gek op mensen. Ze blijven me boeien met hun diversiteit aan gedragingen. Inmiddels vijftig plus onderzoek ik nog steeds gepassioneerd het menselijk gedrag. Uitermate fascinerend. Mijn vertrouwen in de mens is eindeloos.

De eerste vertrouwensdeuk die ik mij herinner ontstaat op de lagere school. In een hogere klas zit een beruchte scholier. Hij is een eersteklas onbetrouwbaar iemand. Ik ben een uitermate gevoelig kind en dus een gemakkelijke prooi. Hij daagt me uit, maar ik negeer hem. Daardoor wordt hij nog fanatieker, want hij wil nu natuurlijk geen gezichtsverlies lijden.

Uiteindelijk besluit ik van hem weg te lopen en zo snel mogelijk hulp te zoeken bij de leraren die in de lerarenkamer aan het pauzeren zijn. Ik ga het schoolgebouw binnen richting de leraren. Ik voel dat hij me achternaloopt. Inmiddels ben ik er bijna. En dan, als vanuit het niets, duikt hij boven op me en slaat zijn arm om mijn nek.

Hij trekt me achterover, zodat ik bijna stik. Met voor mijn gevoel mijn laatste beetje adem schreeuw ik piepend en toch zo hard ik kan om hulp. Twee leraren komen me bevrijden van de wurgende arm. Ik word ontzet en de beruchte scholier krijgt straf.

Ik voel me nog lange tijd angstig. Bang dat me uit onverwachte hoek iets naars staat te gebeuren. Van de agressor heb ik gelukkig geen last meer.

Toch blijf ik de rest van mijn lagereschooltijd het gevoel houden een vreemde eend in de bijt te zijn. Ik heb wel een paar vriendjes en vriendinnetjes. Bij hen voel ik me heel veilig.

Foto Nikolas Resende