Deel 2

Ik word bij mijn haren gepakt en vervolgens slaan ze mijn voorhoofd keer op keer op de motorkap van een auto. Gelukkig lukt het me om mijn rechterarm onder mijn voorhoofd te leggen, waardoor de klappen niet zo hard aankomen.

Dan blijkt een van die gasten een steen in z’n hand te hebben. Hij beukt daarmee op mijn voorhoofd. Ik voel het bloed over mijn hoofd stromen. Ineens hoor ik hondengeblaf en ik schrik me wezenloos: shit, ze gaan die toch niet op mij afsturen?

Het blijken politiehonden te zijn. De politiemannen ontzetten mij, en de skinheads slaan op de vlucht. Uit de kerk aan de overkant van de straat komt een priester om mij op te vangen. De ambulance is onderweg.

Eenmaal in de ambulance kom ik wat tot rust en begin te huilen. In het ziekenhuis hechten ze mijn hoofdwond, en als dat klaar is – inmiddels is het drie uur in de ochtend – mag ik naar huis bellen.

Mijn lieve vader komt me halen, en als we in de auto zitten, blijven we stil. Het is een wonderbaarlijk ontspannende stilte. Ik hoef me niet te verantwoorden, mijn vader luistert als ik wat vertel. Mijn ouders zijn vooral geschrokken en blij dat ik weer thuis ben gekomen.

Mijn herstel gaat bedroevend traag. Ik genees fysiek heel rap, maar mentaal voel ik me een wrak. Mijn zelfvertrouwen heeft een enorme deuk opgelopen.

lees verder Deel 3